Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200908457/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het college aan KWS Infra, voor zover thans van belang, een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 3 van de bij besluit van 28 oktober 1975 verleende revisievergunning als bedoeld in de Hinderwet voor de inrichting aan de Gouderaksedijk 34 te Gouda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908457/1/M1.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid KWS Infra B.V., gevestigd te Utrecht, en Koudasfalt B.V., gevestigd te Gouda,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het college aan KWS Infra, voor zover thans van belang, een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 3 van de bij besluit van 28 oktober 1975 verleende revisievergunning als bedoeld in de Hinderwet voor de inrichting aan de Gouderaksedijk 34 te Gouda.

Bij besluit van 24 september 2009 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, en, voor zover thans van belang, de genoemde last gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben KWS Infra en Koudasfalt bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

KWS Infra en Koudasfalt en de stichting Stichting de Poorter hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2010, waar KWS Infra en Koudasfalt, vertegenwoordigd door mr. G.G.M. Johannes en J.C. Versluys, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Stegers, drs. ing. S.N. Hoogzaad en K. van Leeuwen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting de Poorter, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, drs. J.W. Ederveen en ir. P.H.A. Rietjens, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. KWS Infra en Koudasfalt betogen dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit van 12 maart 2009 in strijd is met het nog in werking zijnde besluit van het college van 21 februari 2007, waarbij een verzoek van Stichting de Poorter om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting is afgewezen, en dat derhalve twee tegengestelde besluiten in werking zijn.

Bij uitspraak van 4 juni 2008 in zaak no. 200705377/1 heeft de Afdeling het besluit van 26 juni 2007, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2007, vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de beoordeling van de naleving van, voor zover hier van belang, voorschrift 3. Het besluit van 21 februari 2007 is hierbij niet herroepen.

Het bij het bestreden besluit gehandhaafde handhavingsbesluit van 12 maart 2009, dat is genomen naar aanleiding van een nieuw handhavingsverzoek van Stichting de Poorter, is gebaseerd op gewijzigde omstandigheden vanwege een begin 2009 geconstateerde overtreding van het voorschrift. Reeds daarom belette de weigering uit 2007 niet om thans wel tot handhaving te besluiten

Deze beroepsgrond faalt.

2.2. KWS Infra en Koudasfalt betogen dat het primaire besluit van 12 maart 2009 ten onrechte aan KWS Infra is gericht, aangezien zij niet als houdster van de vergunning van 28 oktober 1975 kan worden aangemerkt. KWS Infra en Koudasfalt voeren aan dat die vergunning is verleend aan de directie van Koudasfalt, als orgaan, terwijl KWS Infra slechts een functionaris is die zitting heeft in dit orgaan.

2.2.1. Het college voert aan dat KWS Infra enig aandeelhouder en bestuurder van Koudasfalt is, met zelfstandige bevoegdheden. Gelet hierop is het besluit gericht aan KWS Infra, aldus het college.

2.2.2. Bij het besluit van 12 maart 2009 is de last opgelegd aan KWS Infra. Nu blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel KWS Infra enig aandeelhouder en bestuurder van Koudasfalt is, waardoor zij de zeggenschap heeft over de door Koudasfalt verrichte activiteiten, en KWS Infra het in haar macht heeft de overtreding te beëindigen, was het naar het oordeel van de Afdeling mogelijk de last aan KWS Infra op te leggen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. KWS Infra en Koudasfalt betogen dat het college bij het opleggen van de last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 3 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijke gegrondverklaring van het door Koudasfalt bij de Afdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 19 augustus 2008 waarbij het college een revisievergunning voor de inrichting heeft geweigerd (zaak nr. 200807743/1/M1). Na vernietiging van dat besluit zal de voorafgaande situatie herleven, waarin niet alleen een ontvankelijke aanvraag was ingediend, maar zelfs een ontwerpbesluit ten behoeve van vergunningverlening was opgesteld, hetgeen volgens KWS Infra en Koudasfalt concreet zicht op legalisatie opleverde.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht was op legalisatie. Het college wijst erop dat op dat moment nog geen uitspraak was gedaan in zaak nr. 200807743/1/M1.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 3 mag het door de inrichting geproduceerde geluiddrukniveau in de omliggende woongebieden de grenswaarde van 55 dB(A) in de uren gelegen tussen 07.00 uur en 19.00 uur, 50 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 uur en 23.00 uur en 40 dB(A) in de uren gelegen tussen 23.00 uur en 07.00 uur, niet overschrijden.

2.3.3. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 3 van de bij besluit van 28 oktober 1975 voor de inrichting verleende revisievergunning, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.4. De Afdeling is van oordeel dat er ten tijde van het besluit van 12 maart 2009 noch ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht op legalisatie bestond, nu voorafgaand aan die besluiten de op 13 april 2004 aangevraagde vergunning was geweigerd. Dat wordt niet anders door het enkele feit dat ten tijde van het besluit van 12 maart 2009 en ten tijde van het bestreden besluit het beroep tegen bedoelde weigering nog aanhangig was.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

271-379.