Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200907717/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 september 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet geurhinder en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/1379
JM 2011/8
JOM 2010/680
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907717/1/M2.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 september 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J.M.M. Kroon, advocaat te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door G.H. Landeweerd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is daar [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting hebben [appellanten] gronden aangevoerd met betrekking tot de totstandkomingprocedure van het bestreden besluit. In dit stadium van de procedure is dit, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.2. [appellanten] betogen dat ten onrechte vergunning is gevraagd en verleend voor een inrichting waarvan de woning [locatie] deel uitmaakt, omdat deze woning niet in eigendom is bij de drijver van de inrichting. Bij de verlening van de vergunning is volgens [appellanten] ten onrechte niet de feitelijke situatie doorslaggevend geweest. Verder is volgens [appellanten] de vergunning ten onrechte niet geweigerd vanwege de bij deze woning optredende geurbelasting.

2.3. Het is aan degene die een milieuvergunning vraagt, en niet aan het vergunningverlenend bestuursorgaan, om te bepalen voor welke inrichting een vergunning wordt gevraagd. Wanneer de vergunning wordt verleend, is het vervolgens de verantwoordelijkheid van de drijver van de inrichting om deze in overeenstemming met de vergunning in werking te hebben. Het college dient gelet hierop te beslissen op de aanvraag om vergunning zoals deze is ingediend, ook als deze afwijkt van de op dat moment bestaande feitelijke situatie. Het college heeft bij het bestreden besluit dan ook terecht de aanvraag om vergunning, en niet de feitelijke situatie, tot uitgangspunt genomen.

Voor zover [appellanten] bedoelen aan te voeren dat de vergunning had moeten worden geweigerd omdat de woning [locatie] niet in eigendom is bij de aanvrager van de vergunning, overweegt de Afdeling dat, zoals zij eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 oktober 2001 in zaak nr. 199901710/ (AB 2002, 93), bestaande en toekomstige civielrechtelijke verhoudingen buiten het toetsingskader van de Wet milieubeheer vallen. Gelet hierop is de eigendomssituatie van de woning [locatie] geen reden voor weigering van de vergunning.

Voor zover [appellanten] betogen dat de vergunning had moeten worden geweigerd vanwege geurhinder bij de genoemde woning, overweegt de Afdeling dat de Wet geurhinder en veehouderij hiervoor het exclusieve toetsingskader bevat. Deze wet voorziet uitsluitend in de bescherming van geurgevoelige objecten die zelf geen onderdeel zijn van de inrichting waarvoor vergunning wordt verleend. Nu de woning onderdeel is van de inrichting waarvoor vergunning is verleend, heeft het college terecht geoordeeld dat de geurbelasting bij deze woning geen grond gaf de vergunning te weigeren.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

262.