Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200907078/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan

"Kom Sterksel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907078/1/R3.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te [woonplaats], gemeente Heeze-Leende,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Heeze-Leende,

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan

"Kom Sterksel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door R.S. Klaver, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], in persoon, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen 1" voor het perceel naast het perceel [locatie] dat voorziet in de bouw van een nieuwe woning.

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte niet binnen zes weken is bekendgemaakt.

Dit betoog heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten en geen grond vormen voor de vernietiging daarvan. Het betoog van [appellant sub 1] faalt in zoverre.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de raad het plan heeft vastgesteld ten einde planschade te voorkomen.

De stukken, noch het verhandelde ter zitting geven er blijk van dat de vrees voor planschade een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van het bestreden plandeel.

2.4. [appellant sub 2] betoogt dat het betrokken perceel beperkt bereikbaar is, aangezien de eigendom van een gedeelte van de ontsluitingsweg bij hem dan wel zijn buren berust.

Ter zitting is gebleken dat het voormelde gedeelte van de ontsluitingsweg is ingericht als openbare weg en al sinds 1959 wordt gebruikt voor de ontsluiting van het perceel. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bereikbaarheid van het perceel afdoende is gewaarborgd. Overigens is het perceel ook bereikbaar zonder gebruik te maken van het voormelde gedeelte van de ontsluitingsweg.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat niet is aangetoond dat de nieuwe woning past binnen de ruimtelijke structuur ter plaatse. Het betrokken perceel had volgens hen onder het vorige plan een bosbestemming en fungeerde als parkje voor de omliggende woningen. Daarnaast onderbreekt de voorziene woning volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het bebouwingsritme van de bebouwing aan de [locatie] en wordt de onderlinge afstand tussen de woningen te klein waardoor het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Het desbetreffende perceel maakt blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting deel uit van een ruim opgezette villawijk in een bosrijke omgeving. De aanwezige vrijstaande woningen, veelal van het type bungalow, bestaan overwegend uit één bouwlaag met kap dan wel plat dak en bevinden zich in een lusstructuur. De afstand tussen de voorziene woning en de woningen van derden bedraagt minimaal 20 meter en maximaal 30 meter. Nu de bestaande woningen op vergelijkbare afstanden van elkaar zijn gesitueerd, geeft hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke structuur en het bebouwingsritme niet worden verstoord. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast door de voorziene woning. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand van de nieuwe woning tot de bestaande woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] respectievelijk ongeveer 60 en 30 meter bedraagt.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de nieuwe woning op een andere wijze op het perceel had moeten worden gesitueerd.

Aan de wens van [appellant sub 2] voor een andere situering van de nieuwe woning ligt blijkens de stukken een privaatrechtelijk geschil met de eigenaar van het betrokken perceel ten grondslag. Privaatrechtelijke verhoudingen zijn uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening evenwel niet van doorslaggevende betekenis. Slechts indien deze van een zodanige aard zijn dat daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in het onderhavige geval voordoet.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

325-605.