Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200906197/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Leur" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906197/1/R3.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Etten-Leur,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Leur" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 14 september 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door E.J. Takkenberg, werkzaam bij Project Bemiddeling & Advies Soest, en de raad, vertegenwoordigd door P.B.M. Mourik-van Dartel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 2]

2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.1. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "Wro-zone, wijzigingsgebied 1" voor de percelen Kapelstraat 59 tot en met 99 en Kerkstraat 7. Vast staat dat [appellant sub 2] ten aanzien van dit plandeel geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. De door [appellant sub 2] aangevoerde omstandigheid dat hij wel zijn reactie op het voorontwerpplan kenbaar heeft gemaakt, vormt geen rechtvaardiging voor het niet tijdig naar voren brengen van een zienswijze tegen het ontwerpplan. De door [appellant sub 2] aangevoerde omstandigheid dat de raad het plan gewijzigd heeft vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, vormt evenmin een rechtvaardiging voor het niet tijdig naar voren brengen van een zienswijze tegen het ontwerpplan. De wijzigingen van de raad bij de vaststelling van het plan hadden namelijk betrekking op onderdelen van artikel 19 van de planregels waartegen het beroep van [appellant sub 2] niet is gericht. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 2] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend.

2.2. De conclusie is dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.4. [appellante sub 1] is eigenaar van de percelen [locaties] waarop een (grotendeels leegstaand) winkelcentrum is gevestigd. [appellante sub 1] voert aan dat haar percelen ten onrechte niet in het plan zijn opgenomen waardoor het bestemmingsplan "Baai-Lage Banken, wijziging II" uit 1971 is blijven gelden.

2.4.1. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In het ontwerpplan waren de percelen van [appellante sub 1] opgenomen. Door aanname van een amendement is het plan zodanig door de raad vastgesteld dat de desbetreffende percelen buiten de planbegrenzing vallen. Uit de toelichting bij het amendement volgt dat onduidelijkheid bestaat over de omvang van de bestaande bouwmogelijkheden en dat een procedure aanhangig is over een op grond van het bestemmingsplan "Baai-Lage Banken, wijziging II" geweigerde bouwvergunning voor de uitbreiding van een supermarkt op de percelen van [appellante sub 1]. Omdat de raad volledig recht wil doen aan het uitgangspunt dat bestaande bouwmogelijkheden van [appellante sub 1] worden gerespecteerd heeft hij besloten de percelen niet in het plan op te nemen, maar een onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter over de geweigerde bouwvergunning af te wachten. Eerst daarna zal de raad een bestemmingsplan voor de percelen van [appellante sub 1] vaststellen. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat daarbij een aan [appellante sub 1] verleende vrijstelling van het voorheen geldende plan zal worden betrokken. Hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de percelen van [appellante sub 1] buiten de planbegrenzing heeft kunnen laten vallen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad op 17 december 2007 een structuurvisie detailhandel en horeca heeft vastgesteld die geen mogelijkheden biedt voor uitbreiding van detailhandel aan de Concordialaan. Duidelijkheid omtrent de omvang van de bestaande bouwmogelijkheden is dientengevolge van groot belang voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor de percelen van [appellante sub 1]. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad niet, zoals [appellante sub 1] heeft aangevoerd, de besluitvorming over het bij het bestreden besluit vastgestelde plan kon aanhouden. De raad was immers ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening gehouden om binnen 12 weken na terinzagelegging van het ontwerpplan te beslissen omtrent vaststelling van het plan.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

325-605.