Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200904626/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan

"Kom Steensel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904626/1/R3.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan

"Kom Steensel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar [appellante sub 1] en [appellant sub 2], in persoon, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door B. Joosten en J.J.M. van Dooren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het beroep van [appellante sub 1]

2.1. [appellante sub 1] richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" voor het perceel [locatie 1]. [appellante sub 1] betoogt dat zij dit perceel in 2006 heeft gekocht om de aanwezige gebouwen op te knappen en bedrijfsactiviteiten te gaan uitoefenen. Ondanks dat de gemeente op de hoogte was van de renovatieactiviteiten, is volgens haar de bedrijfsbestemming van het perceel naar een woonbestemming gewijzigd.

2.1.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Het plan is conserverend van aard en derhalve is veelal de feitelijke situatie als zodanig bestemd. Reeds in oktober 2000 is geconstateerd dat de vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor de bedrijfsactiviteiten op het perceel van [appellante sub 1] is komen te vervallen en dat dit perceel alleen nog werd gebruikt voor woondoeleinden. Vast staat dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen bedrijfsactiviteiten op het perceel van [appellante sub 1] werden uitgeoefend. [appellante sub 1] heeft geen stukken overgelegd die blijk geven van haar voornemen nieuwe bedrijfsactiviteiten op het perceel te ontplooien. Het uitsluitend uitvoeren van renovatiewerkzaamheden is onvoldoende om aan te nemen dat [appellante sub 1] een zodanig concreet plan had voor nieuwe bedrijfsactiviteiten op het perceel dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening diende te houden.

Gelet op het voorgaande is de keuze van de raad om het perceel van [appellante sub 1] als zodanig te bestemmen niet onredelijk. Overigens is in artikel 17.5 van de planregels een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor het uitoefenen van detailhandel en dienstverlening.

2.1.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.2. [appellant sub 2] richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" voor het perceel [locatie 2]. [appellant sub 2] betoogt dat hij zijn perceel voor autobedrijf gerelateerde activiteiten wil kunnen blijven gebruiken.

2.2.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het perceel van [appellant sub 2] in het verleden gebruikt voor garageactiviteiten waaronder het leveren van brandstof. Vast is komen te staan dat deze activiteiten, die het voorheen geldende plan niet toestond, zijn beëindigd. [appellant sub 2] verricht op zijn perceel thans alleen nog (onderhouds)werkzaamheden aan auto's van bekenden waarmee hij zijn inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvult. De aard en de omvang van de door [appellant sub 2] verrichte werkzaamheden zijn dusdanig dat deze naar het oordeel van de Afdeling een hobbymatig karakter hebben. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bestemming "Wonen-1 (W1)" aan dit hobbymatige gebruik van het perceel niet in de weg staat.

2.2.2. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat een ambtenaar van de gemeente Eersel de mogelijkheid tot bouw van een showroom op zijn perceel heeft toegezegd, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan een toezegging die is gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een ambtenaar van de gemeente Eersel, maar bij de raad. De raad heeft bij ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

2.2.3. [appellant sub 2] heeft ten slotte gewezen op een aan hem bij besluit van 30 mei 2008 verleende bouwvergunning voor het uitbreiden en verbouwen van een werkplaats met overkapping. De Afdeling begrijpt het beroep aldus dat [appellant sub 2] zich op het standpunt stelt dat deze werkplaats ten onrechte niet in zijn geheel als zodanig is bestemd.

Ingevolge artikel 17.2.2, aanhef en onder d, van de planregels, voor zover hier van belang, geldt voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen dat het bebouwingspercentage maximaal 50% mag bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 100 m², met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘afwijkende bebouwingsregeling’ op de verbeelding.

Ter zitting is komen vast te staan dat de oppervlakte van de niet op verbeelding ingetekende werkplaats groter is dan 100 m2. Op de verbeelding is voor het perceel van [appellant sub 2] niet de aanduiding "afwijkende bebouwingsregeling" opgenomen. Een deel van de met bouwvergunning uitgebreide werkplaats valt dientengevolge niet onder artikel 17.2.2, aanhef en onder d, van de planregels en is onder het bouwovergangsrecht gebracht. Niet aannemelijk is evenwel dat een gedeelte van de werkplaats binnen de planperiode van het perceel van [appellant sub 2] zal worden verwijderd.

2.2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" voor het perceel [locatie 2], voor zover dit betrekking heeft op de werkplaats, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden plandeel dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

Hetgeen [appellant sub 2] overigens heeft aangevoerd, geeft verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat dit plandeel voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.3. Ter zitting is komen vast te staan dat het beroep van [appellant sub 3] zich uitsluitend richt tegen de plandelen met de bestemming "Groen (G)" en de aanduiding "afschermende beplanting" voor zijn perceel aan de Genderdreef 23. Hij betoogt dat het voor deze plandelen opgenomen aanlegvergunningstelsel niet nodig is, nu geen bomen zonder vergunning op grond van de algemene plaatselijke verordening mogen worden gekapt. Verder heeft [appellant sub 3] betoogd dat voornoemde plandelen niet juist op de verbeelding zijn weergegeven.

2.3.1. Aan delen van het perceel van [appellant sub 3] is blijkens de verbeelding de bestemming "Groen (G)" en de aanduiding "afschermende beplanting" toegekend.

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder j en k, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Groen (G)" aangewezen gronden bestemd voor afschermende beplanting, ter plaatse van de aanduiding "afschermende beplanting" op de verbeelding, alsmede voor de instandhouding en bescherming van bestaande laanstructuren.

Ingevolge artikel 10.3.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas;

b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen.

2.3.2. Het perceel van [appellant sub 3] grenst blijkens de stukken aan het buitengebied en is nabij het beekdal van de Gender gelegen. Gelet op deze ligging verdienen de op het perceel van [appellant sub 3] aanwezige landschapselementen volgens de raad bescherming. De raad heeft hiertoe de bestemming "Groen (G)" en de aanduiding "afschermende beplanting" aan delen van het perceel toegekend en heeft in de planregels een aanlegvergunningenstelsel opgenomen dat onder meer betrekking heeft op het kappen van bomen. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bestreden plandelen niet juist op de verbeelding zijn ingetekend. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan [appellant sub 3] heeft aangevoerd, de omstandigheid dat sommige beplanting vanaf het beekdal visueel niet waarneembaar is, niet meebrengt dat deze geen onderdeel van de landschapselementen zouden uitmaken. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geeft evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanlegvergunningenstelsel in dit geval nodig is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat niet voor het kappen van alle bomen op grond van de algemene plaatselijke verordening een vergunning is vereist.

2.3.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Proceskosten

2.4. Ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellant sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Ten aanzien van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 26 mei 2009 wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" voor het perceel [locatie 2], voor zover dit betrekking heeft op de werkplaats;

III. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 3] geheel en het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Eersel aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

399-605.