Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200910107/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 5 mei 2008, zoals gecorrigeerd op 25 september 2008, heeft het bestuur van de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit Leiden [appellant] onder voorwaarde toegelaten tot de onderscheidenlijke opleidingen Biomedische wetenschappen en Geneeskunde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910107/1/H2.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 november 2009 in zaak nr. 08/9444 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 5 mei 2008, zoals gecorrigeerd op 25 september 2008, heeft het bestuur van de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit Leiden [appellant] onder voorwaarde toegelaten tot de onderscheidenlijke opleidingen Biomedische wetenschappen en Geneeskunde.

Bij besluit van 18 november 2008 heeft het college van beroep het door [appellant] daartegen ingestelde administratieve beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college van beroep heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2010, waar [appellant], in persoon, en het college van beroep, vertegenwoordigd door zijn secretaris mr. M.A.C. de Boer en door H.A. Kramer, werkzaam bij de Universiteit Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.24, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) geldt onverminderd het derde lid voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als vooropleidingseis het bezit van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.

Ingevolge artikel 7.25, eerste lid, worden bij ministeriële regeling het profiel of de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs betrekking moet hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen.

Ingevolge artikel 7.29, eerste lid, kan het instellingsbestuur personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs.

Ingevolge het tweede lid worden de bij het onderzoek te stellen eisen opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

Ingevolge artikel 6.5 van de Onderwijs- en examenregeling 2008- 2009 voor de Bacheloropleiding Geneeskunde en de gelijknamige regeling voor de Bacheloropleiding Biomedische wetenschappen heeft het toelatingsonderzoek, bedoeld in artikel 7.29 van de WHW, voor zover hier van belang, betrekking op de vakken Natuurkunde 1, Scheikunde 1, Wiskunde B1 en Biologie 1 en 2 op vwo-niveau.

Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder g, van de WHW kan een betrokkene beroep instellen bij het college van beroep voor de examens tegen beslissingen van commissies als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid.

Ingevolge het tweede lid kan het beroep, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), worden ingesteld ter zake dat een beslissing in strijd is met het recht.

2.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200902052/1) laat artikel 7.61 van de WHW onverlet dat de toetsing door de bestuursrechter van het besluit van het college van beroep beperkt moet zijn. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb kan immers geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen besluiten, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen besluit van het college van beroep een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat, wat betreft de aan het besluit op administratief beroep ten grondslag liggende besluiten van het bestuur van de Faculteit der Geneeskunde die in wezen een beoordeling inhouden van de vooropleiding van [appellant], door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het college van beroep zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de WHW of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.

2.3. [appellant], die zijn middelbare schoolopleiding heeft gevolgd in Sri Lanka, heeft het bestuur van de Faculteit der Geneeskunde verzocht om te worden toegelaten tot de opleidingen Biomedische wetenschappen en Geneeskunde. Het bestuur heeft [appellant] toegelaten tot deze opleidingen onder de voorwaarde dat hij de examens in de vakken CCV-N Natuurkunde 1, CCV-S Scheikunde 1, CCV-W Wiskunde B1 en CCV-B Biologie 1 en 2 met goed gevolg heeft afgelegd. Het bestuur heeft dit besluit gebaseerd op het advies van het International Office van de Universiteit Leiden van 15 april 2008 en het door [appellant] bij zijn aanvraag gevoegde advies van Alpha Omega Advies van 13 maart 1997. Aan het nadien door [appellant] overgelegde advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (hierna: de Nuffic) van 25 juni 2008 heeft het college van beroep geen doorslaggevende betekenis toegekend aangezien de Universiteit Leiden een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de toelating van studenten en het advies is uitgebracht aan het Bureau Internationalisering van de Vrije Universiteit Amsterdam met het oog op een opleiding aan die universiteit. Voorts heeft het college van beroep het standpunt van het bestuur gevolgd dat uit het advies van de Nuffic weliswaar volgt dat de diploma's van [appellant] wellicht in algemene zin van het niveau van het Nederlandse vwo-diploma zijn, maar niet dat dit zonder meer geldt voor alle profielvakken. Daarbij is meegewogen dat [appellant] de diploma's eind jaren zeventig en in 1980 heeft behaald en dat juist in de vereiste profielvakken in de jaren daarna zoveel is veranderd dat een opnieuw af te leggen toets gerechtvaardigd en noodzakelijk is.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van beroep ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet voldoet aan de vooropleidingseis. Volgens [appellant] is een vrijstelling van de vooropleidingseis krachtens artikel 7.29, eerste lid, van de WHW niet aan de orde en is ten onrechte de voorwaarde aan de toelating verbonden dat hij examen dient af te leggen in de vermelde vakken. Hij verwijst in dat verband naar het door hem overgelegde advies van de Nuffic van 25 juni 2008 waarin zijn diploma's zijn gewaardeerd op vwo-niveau.

2.4.1. Voor de inschrijving voor de door [appellant] beoogde opleidingen geldt ingevolge de artikelen 7.24, eerste lid, en 7.25, eerste lid, van de WHW als vooropleidingseis het bezit van het vwo-diploma dat betrekking heeft op de voor die opleidingen vereiste profielvakken.

[appellant] is niet in het bezit van een Nederlands vwo-diploma en voldoet derhalve niet aan de vooropleidingseis. Reeds hierom is voor toelating tot de door hem beoogde opleidingen een vrijstelling van de vooropleidingseis krachtens artikel 7.29, eerste lid, van de WHW vereist.

2.4.2. Het bestuur van de Faculteit der Geneeskunde heeft die vrijstelling verleend door [appellant] toe te laten tot de beoogde opleidingen onder de voorwaarde dat hij succesvol toelatingsexamen doet in de profielvakken. Hiermee heeft het bestuur het advies van het International Office van de Universiteit Leiden overgenomen. Het International Office heeft getoetst aan de algemene richtlijnen van de Nuffic ten aanzien van middelbare schooldiploma's en geconcludeerd dat de door [appellant] behaalde diploma's gelijk zijn aan vijf jaar vwo. Voorts heeft het International Office geconstateerd dat hij die diploma's meer dan twintig jaar geleden heeft behaald. In dit verband is van belang dat in de afgelopen jaren in de materie waarop de profielvakken betrekking hebben veel is veranderd. Daarom is het verzoek om toelating ook voorgelegd aan de landelijke commissie van gecommitteerden die heeft bezien of de behaalde vakken voldoen aan de huidige eisen van de profielvakken. Gelet op deze ingewonnen adviezen heeft het college van beroep aan het door [appellant] overlegde advies van de Nuffic van 25 juni 2008 geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aangezien daarin is volstaan met de conclusie dat de door [appellant] behaalde diploma's in algemene zin vergelijkbaar zijn met het Nederlandse vwo-diploma, maar niet is ingegaan op de vraag of die diploma's voldoen aan de huidige eisen ten aanzien van de profielvakken.

2.4.3. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat hetgeen door [appellant] in administratief beroep is aangevoerd voor het college van beroep geen aanleiding had moeten zijn voor het oordeel dat het besluit van het bestuur van de Faculteit der Geneeskunde in strijd is met het recht.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

18-609.