Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200905173/1/T1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zaadveredelingsbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 juni 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905173/1/T1/M1

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zaadveredelingsbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 juni 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2009, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, en [appellante sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 3], [appellante sub 4] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door A.J. Verhoog-Bokma, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door A.J. Verhoog-Bokma, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer en ing. H. Struiken Boudier, beiden werkzaam bij de Milieudienst Kop van Noord-Holland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat [appellant sub 1] en anderen niet zijn aan te merken als belanghebbenden. In dit verband voert het college aan dat de woningen van [appellant sub 1] en anderen op een afstand van ten minste 400 m van de inrichting zijn gelegen. Voorts voert het college aan dat de geluidemissie vanwege de inrichting op de gevels van de woningen van [appellant sub 1] en anderen niet de geluidemissie veroorzaakt door het verkeer over de Debbemeerweg op de gevels van die woningen zal overschrijden.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

2.1.3. De woningen van [appellant sub 1] en anderen liggen op een afstand van ongeveer 400 m van de inrichting. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de inrichting, is het aannemelijk dat ter plaatse van deze woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. De door het college naar voren gebrachte omstandigheid dat de geluidemissie van het verkeer over de Debbemeerweg op de gevels van de woningen van [appellant sub 1] en anderen groter is dan de geluidemissie van de inrichting op de gevels van die woningen, maakt dit niet anders. [appellant sub 1] en anderen zijn derhalve belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat het door hen ingestelde beroep ontvankelijk is.

2.2. [appellant sub 1] en anderen hebben eerst ter zitting aangevoerd dat niet aan de in vergunningvoorschrift 7.2.2 gestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau voor de dagperiode kan worden voldaan. Het eerst ter zitting aanvoeren van deze grond is in dit stadium van de procedure, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze grond daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.3. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] betogen dat het college ten onrechte geen uitvoering aan de coördinatieregeling van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud) (hierna: de Wvo) en de Wet milieubeheer heeft gegeven. Daartoe voeren zij aan dat de vergunning krachtens de Wvo reeds op 30 januari 2009 is verleend.

2.3.1. Het college voert aan dat de aanvraag om vergunning krachtens de Wvo geruime tijd voor de aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer is ingediend. Volgens het college heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier besloten om de aanvraag om vergunning krachtens de Wvo en een eventuele aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet gecoördineerd te behandelen.

2.3.2. Ingevolge artikel 8.28 van de Wet milieubeheer worden in gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd die betrekking heeft op een inrichting van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wvo in het oppervlaktewater worden gebracht, indien daarvoor een vergunning krachtens die wet vereist is, bij de toepassing van hoofdstuk 8, van hoofdstuk 13 en van afdeling 3.4 van de Awb de bepalingen van paragraaf 8.1.3.2 in acht genomen.

2.3.3. Uit de stukken blijkt dat de aanvraag om een vergunning krachtens de Wvo geruime tijd voor de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is ingediend, dat het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ten tijde van laatstgenoemde aanvraag reeds een ontwerpbesluit op de aanvraag om vergunning krachtens de Wvo had genomen en dat op 30 januari 2009 een Wvo-vergunning is verleend. Gezien het vorenstaande kon het college niet zorgdragen voor een gecoördineerde behandeling van de aanvragen om vergunning, zodat het niet in strijd met artikel 8.28 en volgende van de Wet milieubeheer heeft gehandeld.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellante sub 4] betoogt dat de Wvo-vergunning ten tijde van het instellen van het beroep ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen.

2.4.1. De terinzagelegging van de stukken in het kader van het mededelen van het besluit als bedoeld in artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb vindt plaats na het nemen van het bestreden besluit. Een eventuele onrechtmatigheid op dit punt kan het bestreden besluit niet met terugwerkende kracht aantasten.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] betogen dat het oprichten en in werking hebben van een zaadveredelingsbedrijf zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Zij voeren aan dat de inrichting geen agrarisch bedrijf is. Voorts voeren [appellante sub 3] en [appellante sub 4] aan dat de raad van de gemeente Harenkarspel op 29 januari 2008 geen besluit heeft genomen over de vestiging van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

2.6.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.6.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit weliswaar strijd bestond met het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Harenkarspel', maar dat de raad van de gemeente Harenkarspel voornemens was deze strijd op te heffen. Onder deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de vergunning niet op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren. Wat betreft het door [appellante sub 3] en [appellante sub 4] aangevoerde bezwaar omtrent het besluitvormingstraject over het vrijstellingsbesluit wordt overwogen dat dit aspect geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 1] en anderen vrezen voor geluidhinder. Zij voeren aan dat de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te hoog zijn. Volgens [appellant sub 1] en anderen is van een onjuiste typering van de aard van de woonomgeving uitgegaan. De woonomgeving moet worden getypeerd als een 'landelijke omgeving', aldus [appellant sub 1] en anderen. In dit verband voeren zij aan dat het college geen onderzoek heeft verricht naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. [appellant sub 1] en anderen voeren voorts aan dat het college niet heeft onderzocht of aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan.

2.7.1. Het college betoogt dat de gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen. Het college stelt dat voor de beoordeling van het aspect geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) is toegepast. Volgens het college kan de aard van de woonomgeving van de inrichting worden getypeerd als een 'rustige woonwijk, weinig verkeer'. Daartoe voert het college aan dat de inrichting in de directe nabijheid van een drukke provinciale weg (N245), een bedrijventerrein en een windturbinepark is gelegen.

2.7.2. In vergunningvoorschrift 7.2.1 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de vast opgestelde installaties en toestellen binnen de inrichting op de gevel van een geluidgevoelige bestemming niet meer bedraagt dan:

- 45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.7.3. Bij de beoordeling van het aspect geluid heeft het college de Handreiking tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen om bij de eerste toetsing de waarden van tabel 4 te hanteren. In deze tabel staan drie typeringen van de aard van de woonomgeving, te weten 'landelijke omgeving', 'rustige woonwijk, weinig verkeer' en 'woonwijk in de stad', met daarbij horende richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt.

2.7.4. Het college heeft de omgeving van de inrichting getypeerd als 'rustige woonwijk, weinig verkeer' en de daarbij horende richtwaarden van 45, 40 en 35 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode in vergunningvoorschrift 7.2.1 opgenomen. Het college heeft zijn keuze voor deze typering gemotiveerd door te verwijzen naar een in de omgeving van de inrichting gelegen provinciale weg (N245), bedrijventerrein en windturbinepark.

Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, kan naar het oordeel van de Afdeling de op ongeveer 400 m van de inrichting gelegen woonwijk waarin de woningen van [appellant sub 1] en anderen zijn gelegen, als een 'rustige woonwijk, weinig verkeer' worden getypeerd. De woonomgeving van de dichtstbijzijnde, op ongeveer 40 m van de inrichting gelegen woning is naar het oordeel van de Afdeling echter landelijk. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt niet van akoestische gegevens waaruit volgt dat de omgeving van de dichtstbijgelegen woning in akoestisch opzicht desalniettemin vergelijkbaar is met een 'rustige woonwijk, weinig verkeer'.

Nu aannemelijk is dat de dichtstbijzijnde woning bepalend is voor de reikwijdte van vergunningvoorschrift 7.2.1 is de Afdeling van oordeel dat de door het college gekozen typering van de aard van de woonomgeving niet op een deugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Deze beroepsgrond van [appellant sub 1] en anderen is in zoverre terecht voorgedragen.

2.8. [appellant sub 2] vreest voor besmetting van de door hem geteelde gewassen met bestrijdingsmiddelen, insecten of plantenziekten die afkomstig zijn van de inrichting. Volgens hem had het college de vergunning moeten weigeren, omdat onduidelijk is of zijn gronden en gewassen voldoende worden beschermd tegen de mogelijke verspreiding van bestrijdingsmiddelen, insecten en plantenziekten. [appellant sub 2] is subsidiair van mening dat aan de vergunning strenge voorschriften omtrent het voorhanden hebben en het toepassen van bestrijdingsmiddelen, insecten en plantenziekten moeten worden verbonden. Voorts voert hij aan dat aan de vergunning voorschriften moeten worden verbonden die voorzieningen voorschrijven die verspreiding van bestrijdingsmiddelen, insecten en plantenziekten buiten de inrichting voorkomen, die Nickerson Zwaan verplichten om aan het college te melden als onverhoopt bestrijdingsmiddelen, insecten en plantenziekten buiten de inrichting geraken en die voorschrijven dat insecten na gebruik moeten worden vernietigd.

2.8.1. Het college heeft aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent het bewaren, verwerken en gebruiksklaar maken van bestrijdingsmiddelen. Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat binnen de inrichting alleen bestrijdingsmiddelen worden toegepast om te voorkomen dat de groei van ontkiemde zaden niet door ziekten wordt belemmerd. De zaden worden niet behandeld met bestrijdingsmiddelen die de plantenziekten die door Nickerson Zwaan worden onderzocht tegengaan. De planten op de proefvelden en in de gaaskassen worden derhalve blootgesteld aan plantenziekten die van nature in het milieu voorkomen. Verder zijn de ruimten waarin de proeven plaatsvinden afgesloten en worden de planten die aan ziekten zijn blootgesteld na de proeven vernietigd. Volgens het deskundigenbericht is de kans dat de gewassen van [appellant sub 2] besmet worden met plantenziekten derhalve erg klein. In hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het deskundigenbericht in zoverre niet juist is.

Omtrent het gebruik van insecten wordt in het deskundigenbericht gesteld dat de ruimten die bestemd zijn voor bestuiving, dusdanig zijn afgesloten dat geen insecten van buiten naar binnen en van binnen naar buiten kunnen gaan. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat de insecten niet in de ruimten komen waarin de proeven met de plantenziekten plaatsvinden, zodat bij de aangevraagde bedrijfsvoering de kans zeer klein is dat insecten ontsnappen die tevens een plantenziekte met zich dragen. In hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het deskundigenbericht in zoverre onjuist is.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich, gezien de aangevraagde en vergunde bedrijfsvoering, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico van aantasting van gewassen door bestrijdingsmiddelen, insecten of plantenziekten voldoende wordt beperkt.

Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] betogen dat het in werking zijn van de inrichting vanwege de aanwezigheid van stilstaand water een verhoogd risico van ziekten bij hun vee tot gevolg heeft.

2.9.1. Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat de inrichting wat betreft dit aspect geen risicoverhogende factor is. Het deskundigenbericht komt de Afdeling in zoverre niet onjuist voor.

Deze beroepsgrond faalt.

2.10. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] nemen het standpunt in dat de inrichting ten onrechte op de sloot mag lozen. Daartoe voeren zij aan dat andere zaadveredelingsbedrijven alsmede veehouderijen op het riool moeten zijn aangesloten. Volgens [appellante sub 3] leidt het lozen op de sloot tot een verhoogd risico van ziekten bij hun vee.

2.10.1. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kunnen om die reden niet slagen.

Deze beroepsgronden falen.

2.11. [appellante sub 3] voert aan dat door de komst van de inrichting het vee niet meer naast het bedrijf kan worden geweid. Volgens haar heeft dit tot gevolg dat het vee vier keer per dag over de weg moet worden gedreven naar de weiden aan de overkant van de weg. Voorts voert [appellante sub 3] aan dat door de komst van de inrichting het verkeer zal toenemen. Het veilig oversteken van de weg door het vee wordt hierdoor bemoeilijkt.

2.11.1. Ter zitting is gebleken dat het vee voor de komst van de inrichting niet de weg behoefde over te steken. In de nieuwe situatie wordt volgens [appellante sub 3] het vee vier keer per dag over de weg gedreven. Naar het oordeel van de Afdeling kan de noodzaak voor [appellante sub 3] om het vee dagelijks meerdere malen naar over de weg gelegen percelen te geleiden, niet aan de vergunde inrichting worden toegerekend. In hetgeen [appellante sub 3] aanvoert, ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet ervan heeft kunnen uitgaan dat de verkeersaantrekkende werking van de inrichting geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 3].

Voor zover deze beroepsgrond ziet op de verkeersveiligheid, overweegt de Afdeling dat de beroepsgrond in zoverre geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Deze beroepsgrond faalt.

2.12. De conclusie is dat het besluit van 10 juni 2009, voor zover het betreft het aspect geluid, zoals in overweging 2.7.4 is vastgesteld, in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen.

2.13. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op grond van artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college dient daartoe met inachtneming van overweging 2.7.4 het besluit alsnog toereikend te motiveren en zonodig dat besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen.

2.14. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel op om binnen acht weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 2.7.4 het besluit van 10 juni 2009, kenmerk Wm 08-18, alsnog toereikend te motiveren en zonodig dat besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

bepaalt dat de vaststelling van een nieuw besluit niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

191-625.