Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
201005389/1/H2 en 201005389/2/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2008 heeft de minister geweigerd terug te komen van het besluit van 21 juli 2008, waarbij de bekostiging van de speciale school voor basisonderwijs SSBO Winkler op nihil is gesteld wegens opheffing per 1 augustus 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005389/1/H2 en 201005389/2/H2.

Datum uitspraak: 1 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010 in zaak nr. 09/1543 in het geding tussen:

de stichting voor Openbaar Primair Onderwijs Amsterdam-West Binnen de Ring (hierna: de stichting) gevestigd te Zoetermeer

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2008 heeft de minister geweigerd terug te komen van het besluit van 21 juli 2008, waarbij de bekostiging van de speciale school voor basisonderwijs SSBO Winkler op nihil is gesteld wegens opheffing per 1 augustus 2007.

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft de minister de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. L.G. Kok en mr. J. Dolman, beiden werkzaam bij het ministerie, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, en M. Voerman, directeur ad-interim bij de stichting, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De minister heeft bij besluit van 21 juli 2008 bekostiging voor materiële instandhouding en personeel van de stichting herzien, omdat de stichting in mei 2008 aan de minister een BRIN-formulier heeft toegezonden waarin is vermeld dat de SSBO Winkler is opgeheven met ingang van 1 augustus 2007.

2.3. De stichting heeft de minister verzocht terug te komen van het besluit van 21 juli 2008. De SSBO Winkler is op 1 augustus 2007 door het bevoegd gezag, het stadsdeel Amsterdam Oud-West (hierna: het stadsdeel) aan de stichting overgedragen. Op dat moment was deze school reeds in de eindfase van de afbouw. Bij de planning van die afbouw is rekening gehouden met natuurlijk verloop en uitstroom van leerlingen alsook met herplaatsing, met als opheffingsdatum 1 augustus 2008. Door het stadsdeel is van de oorspronkelijke planning afgeweken door de resterende leerlingen met ingang van 1 augustus 2007 te herplaatsen naar SBO De Ruimte. Mede als gevolg van onduidelijkheden bij de bestuursoverdracht is een en ander administratief misgelopen, aldus de stichting.

2.4. De minister heeft geweigerd terug te komen van zijn besluit, omdat de feiten en omstandigheden die de stichting bij haar verzoek van 10 oktober 2008 om van dat besluit terug te komen heeft aangevoerd zich hebben voorgedaan voor het besluit van 21 juli 2010 en derhalve eerder hadden kunnen worden aangevoerd.

2.5. De rechtbank heeft het beroep van de stichting gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2009 vernietigd, omdat de stichting bij haar verzoek om herziening heeft verwezen naar de formele opheffingsdatum van 1 augustus 2008 en in bezwaar heeft verwezen naar de brief van 26 augustus 2008 waarin het stadsdeel aan de minister heeft bericht dat de school met ingang van 1 augustus 2008 zal worden opgeheven. Aldus heeft de stichting naar het oordeel van de rechtbank feiten of omstandigheden aangevoerd die zich hebben voorgedaan na het besluit van 21 juli 2008.

2.6. De minister betoogt in hoger beroep dat de rechtbank dit laatste ten onrechte heeft overwogen.

2.6.1. Vaststaat dat de stichting niet binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 juli 2008. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten, genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.6.2. De brief van het stadsdeel van 26 augustus 2008 kan als zodanig niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De vraag is of de in die brief vermelde feiten, te weten dat het stadsdeel en niet zijn rechtsopvolger, de stichting, bevoegd was te beslissen over de opheffing van de SSBO Winkler en dat deze met ingang van 1 augustus 2008 zou worden opgeheven, feiten zijn die zich hebben voorgedaan na 21 juli 2008 en derhalve niet eerder konden worden aangevoerd. Nu zowel het stadsdeel als de stichting bij de overdracht van de SSBO Winkler per 1 augustus 2007 aan de stichting waren betrokken en in die brief staat vermeld dat het stadsdeel als bevoegd gezag in mei 2007 had besloten om de SSBO Winkler met ingang van 1 augustus 2008 op te heffen, is geen sprake van feiten die zich hebben voorgedaan na het besluit van 21 juli 2008 of van feiten die niet vóór dat besluit, dan wel in een bezwaarprocedure tegen dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep tegen het besluit van 9 december 2008 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010 in zaak nr. 09/1543;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2010

362.