Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200909697/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een serre op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909697/1/H1.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 5 november 2009 in zaak nr. 08/2667 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de Ronde Venen (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een serre op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 juli 2008 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op 9 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.S. Friedberg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. de Vink-Bregman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft een serre met een oppervlakte van 15 m2 aan de achterzijde van de op het perceel aanwezige woning.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door onder 2.11 te overwegen dat geen sprake is van een situatie waarin hij door de heroverweging in een slechtere positie is gebracht dan zonder bezwaarschriftenprocedure niet mogelijk zou zijn, heeft miskend dat het college in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft gehandeld.

2.2.1. Het betoogt faalt. De rechtbank heeft terecht het college ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb gehouden geacht om het besluit van 2 januari 2008 op de grondslag van het gemaakte bezwaar te heroverwegen. Zij heeft evenzeer terecht overwogen dat de omstandigheid dat het college tegenover de Commissie bezwaarschriften van de gemeente slechts de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift heeft betwist, niet tot gevolg had dat het de motivering van het besluit van 2 januari 2008 bij het besluit van 17 juli 2008 niet mocht aanvullen.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door niet aan te nemen dat van rechtswege bouwvergunning voor het bouwplan is ontstaan, heeft miskend dat de termijn om op de aanvraag van 7 februari 2002 te beslissen ruimschoots was overschreden.

2.3.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

Ingevolge het derde lid is dat niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), is verleend.

Ingevolge artikel 19a, tweede lid, van de WRO, zoals deze luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 of toepassing wordt gegeven aan het vierde lid.

Ingevolge het derde lid wordt de vrijstelling geweigerd, indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde lid.

Ingevolge het vierde lid is op de voorbereiding van een besluit omtrent de vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing, met uitzondering van enkele in dit lid omschreven afwijkingen.

2.3.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Vinkeveen Zuid" rust op het perceel de bestemming "Bebouwing voor openbare en bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor religieuze, sociale, recreatieve, utilitaire en educatieve doeleinden, zoals raadhuis, postkantoor, politiebureau, verenigingsgebouwen, sporthal en zwembad met de daarvoor nodige bouwwerken, waaronder dienstwoningen en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen.

Ingevolge het tweede lid mag de bebouwde oppervlakte per bouwperceel niet meer bedragen dan het op de kaart aangegeven percentage van de voor bebouwing bestemde terreinoppervlakte en mag per bouwperceel de goothoogte van enig gebouw niet meer bedragen dan op de kaart is aangegeven.

Op de kaart is voor het perceel een bebouwingspercentage van 60 en een goothoogte van maximaal 5 m aangegeven.

Voor het plangebied van het bestemmingsplan "Vinkeveen Zuid" geldt voorts het bestemmingsplan "Algemene bijgebouwenregeling" (hierna: bestemmingsplan Abr).

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften wordt in dat plan onder een bijgebouw verstaan: een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

In die aanhef en onder 8 is bepaald dat onder een bouwperceel moet worden verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarbij krachtens het plan of de in bijlage 1 genoemde bestemmingsplannen een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

In die aanhef en onder 21 is bepaald dat onder een uitbouw moet worden verstaan: een uitspringend aangebouwd bijgebouw of wel door toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een bestaand gebouw ofwel door uitbreiding van het bestaande gebouw zoals een erker, portaal, serre of veranda.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, mogen in afwijking van hetgeen is geregeld in de bestemmingsplannen, zoals vermeld in bijlage 1, op bouwpercelen voor woningen op het bij de woning behorende erf bijgebouwen worden gebouwd, met inachtneming van hetgeen in de navolgende artikelen is geregeld.

Ingevolge dat lid, onder c, blijven de voorschriften van de in de bijlage genoemde bestemmingsplannen buiten toepassing, indien en voor zover het bestemmingsplan Abr daarin voorziet.

Ingevolge het derde lid is het in de volgende artikelen bepaalde slechts van toepassing op de bouw van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen en uitbouwen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder b, gelezen in verbinding met het eerste lid, geldt voor bouwpercelen, waarvan de perceelsoppervlakte, gemeten vanaf 3 m1 achter de voorgevelrooilijn en uitgezonderd het oppervlak van het bestaande hoofdgebouw, 200 m2 of meer bedraagt, dat het bebouwde oppervlak van bijgebouwen ten hoogste 50 m2 mag bedragen, vermeerderd met 5% van het aantal vierkante meters dat deze gronden groter zijn dan 200 m2, tot een absoluut maximum van 90 m2.

2.3.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat slechts van rechtswege bouwvergunning kan ontstaan, indien het bouwplan niet in strijd is met de bestemming.

De voorschriften van het bestemmingsplan Abr zijn in dit geval niet van toepassing. Weliswaar is in de toelichting bij dat plan vermeld dat ook de gevallen waarin woningen zijn gebouwd die in het vigerende bestemmingsplan geen woonbestemming hebben, dat plan van toepassing is, doch de voorschriften bieden daarvoor geen grondslag. Uit artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder 8, van de voorschriften, volgt dat deze alleen van toepassing zijn, indien het in de bijlage vermelde bestemmingsplan ter plaatse de oprichting een woning toelaat. Ingevolge de blijkens het bestemmingsplan "Vinkeveen Zuid" op het perceel rustende bestemming "Bebouwing voor openbare en bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen" is geen bouwperceel voor een woning voorzien. Dat bij besluit van 28 mei 1996 bouwvergunning is verleend voor het veranderen van een patronaatsgebouw in een woning, betekent niet dat bestemming van het perceel is gewijzigd. Nu het bouwplan in strijd is met de bestemming "Bebouwing voor openbare en bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen", is artikel 46, eerste lid, van de Woningwet daarop niet van toepassing. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van de vrijstelling en bouwvergunning in strijd is met de rechtszekerheid. Het enkele tijdsverloop tussen de aanvraag en het besluit van 2 januari 2008 brengt niet mee dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat in het oprichten van de serre was of zou worden bewilligd.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering om vrijstelling te weigeren niet toereikend is gemotiveerd.

2.5.1. Het college heeft aan de het besluit van 17 juli 2008 ten grondslag gelegd dat ingevolge het bestemmingsplan Abr op het perceel maximaal 83 m2 aan bijgebouwen is toegestaan en dat maximum door het bouwplan met 15 m2 wordt overschreden. Hoewel, zoals hiervoor onder 2.3.3 is overwogen, de bepalingen van het bestemmingsplan Abr niet op de aanvraag van toepassing zijn, heeft de rechtbank terecht in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de vrijstelling niet mocht weigeren, omdat het de in dat plan gekozen maximale oppervlakte aan bijgebouwen niet wil laten overschrijden. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

17-642.