Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200907545/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Regentesse-/Valkenboskwartier-Zuid, 8e herziening (De Verademing e.o.)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/18 met annotatie van T.D. Rijs
TBR 2010/150 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2010/760
JM 2010/94 met annotatie van Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907545/1/R1.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. De Verademing, gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

en

de raad van de gemeente 's-Gravenhage,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Regentesse-/Valkenboskwartier-Zuid, 8e herziening (De Verademing e.o.)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft De Verademing bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar De Verademing, vertegenwoordigd door mr. N.J.A. Tielkemeijer, en de raad, vertegenwoordigd door J.E. Leenders, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is overwegend conserverend van aard en voorziet in een juridisch-planologische regeling voor onder andere het terrein van het voormalige gemeentelijke industrieterrein, waar voorheen geen bestemmingsplan van kracht was (zogenoemde "witte vlek").

2.2. De Verademing is erfpachter van de percelen kadastraal bekend gemeente 's-Gravenhage, sectie Y nummers 2918 en 2919, plaatselijk bekend als Esperantoplein 5 tot en met 19 respectievelijk Van Boecopkade ongenummerd. (Hierna te noemen kavel IA respectievelijk kavel IE). De Verademing bezit voorts een woning aan de Bautersemstraat.

2.3. De Verademing heeft ter zitting haar beroepsgronden ingetrokken die betrekking hebben op het ontbreken van een gasleiding op de verbeelding, de bouwhoogte voor het perceel ten zuidwesten van kavel IA, de bestemming "Verkeer-3 (V-3)" met de aanduiding "parkeerterrein (p)" voor de gronden ten westen van kavel IA en voor de gronden ten zuiden van kavel IA en de bestemming "Bedrijf-2 (B-2)" voor de gronden direct ten noorden van kavel IA.

2.4. Bij de uitgifte van de gronden in erfpacht zijn de gemeente 's-Gravenhage en de rechtsvoorganger van De Verademing bij overeenkomst van 10 juni 1999 een aantal bijzondere erfpachtvoorwaarden overeengekomen ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de in erfpacht uit te geven gronden. Op een bij die overeenkomst behorende tekening zijn de bestemmingen nader aangeduid en zijn de bouwstroken, de maximale bouwhoogten en de bruto vloeroppervlakten aangegeven.

2.5. De Verademing betoogt dat de raad met de vaststelling van de plandelen voor haar kavels miskent dat de erfpachtovereenkomst reeds voldoende voorschriften biedt voor een goede ruimtelijke ordening en dat het beperken van de bestemming en van de bebouwingsmogelijkheden in dit plan door het opzijschuiven van de voorwaarden van de erfpachtovereenkomst onrechtvaardig en onredelijk is.

Zij acht de bestemming "Kantoor (K)" voor kavel IA en de bestemming "Groen-2 (G-2)" voor kavel IE te beperkt, nu deze kavels op grond van de (bijzondere) erfpachtvoorwaarden mochten worden gebruikt voor "kantoren, bedrijven, horeca (begane grond), showroom (begane grond) en dienstverlening" respectievelijk "kantoren, wonen, showroom (begane grond) en horeca (begane grond)".

Voorts is naar haar mening voor kavel IA het bebouwingsvlak ten onrechte beperkt tot de bestaande bebouwing en is de bouwhoogte ten onrechte beperkt tot de bestaande hoogte.

Voor de woningen aan de Bautersemstraat is naar haar mening de maximale bouwhoogte ten onrechte beperkt tot 10 m, nu op grond van de erfpachtvoorwaarden bebouwing tot 16 m was toegestaan.

Voorts stelt zij dat voor kavel IE ten onrechte niet langer is voorzien in bebouwingsmogelijkheden. Zij betoogt dat de raad heeft miskend, dat in de toekomst wellicht behoefte bestaat aan uitbreiding van de bebouwing of een ander gebruik van de kavels.

2.5.1. De raad heeft, gevolg gevend aan de verplichting op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor het plangebied een bestemmingsplan vastgesteld en daarin grotendeels de bestaande rechten vastgelegd. Daarmee heeft de raad beoogd de rechtszekerheid te waarborgen en nadelige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied te reguleren en te beperken. De raad heeft zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij verleende of te verlenen bouwvergunningen en bij het bestaande gebruik.

Voor kavel IA en kavel IE is naar de stelling van de raad geen sprake geweest van concrete (ver)bouwplannen. In elk geval is, aldus de raad, geen gebruik gemaakt van de voorheen bestaande bebouwingsmogelijkheden voor deze kavels. Nu de opstal op kavel IA als kantoor in gebruik is, heeft de raad de bestemming, het bouwvlak en de bouwhoogte van kavel IA gesteld op hetgeen vergund is. Dit geldt ook ten aanzien van de maximum bouwhoogte van de woningen aan de Bautersemstraat. In overeenstemming met het gemeentelijke beleid ten aanzien van "water van belang voor de groenstructuur" heeft de raad voor kavel IE geen bouwvlak opgenomen en de bestemming "Groen-2 (G-2)" aangewezen.

2.5.2. Het betoog dat bij het vaststellen van het plan de bestemming en de gebruiks- en bebouwingsregels die voortvloeiden uit de erfpachtovereenkomst ongewijzigd in dit plan hadden moeten worden opgenomen, faalt. In het algemeen kan zowel aan een geldend bestemmingsplan als aan de situatie dat voor een gebied geen bestemmingsplan geldt, geen blijvende geen rechten worden ontleend. De raad kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan, ook indien dat mede betrekking heeft op percelen waarvoor een erfpachtovereenkomst geldt waarin bepalingen zijn opgenomen die mede zien op ruimtelijke aspecten, op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen (andere) bestemmingen en regels vaststellen.

Nu het plan overwegend conserverend van aard is, is het niet onredelijk dat de raad bij de vaststelling van de bestemmingen en de bouw- en gebruiksmogelijkheden als beleidsuitgangspunt zoveel mogelijk heeft aangesloten bij het bestaande gebruik zoals dat is vergund of naar verwachting vergund zal worden. Niet is betwist dat de bestemming "Kantoor (K)", het bouwvlak en de bouwhoogte voor kavel IA en de maximale bouwhoogte voor de woning aan de Boutersemstraat met inachtneming van dit uitgangspunt zijn toegekend.

Voorts heeft de raad op 13 oktober 2005 het beleidsplan voor het Haagse groen en daarmee de stedelijke groene hoofdstructuur vastgesteld. Voor het plangebied geldt het Verversingskanaal - naast het wijkpark en een geprojecteerde bomenrij - als een van de drie beeldbepalende elementen van deze groenstructuur, te weten "water van belang voor de groenstructuur" waar geen gebouwen zijn toegestaan. Nu kavel IE aan het Verversingskanaal ligt, is de bestemming "Groen-2 (G-2)" in overeenstemming met dat beleid toegekend.

In de door De Verademing aangevoerde omstandigheid dat ruimere bestemmingen en bouwvoorschriften in de erfpachtovereenkomst waren opgenomen, behoefde de raad geen aanleiding te zien om van zijn beleidsuitgangspunt en van zijn beleidsplan voor het Haagse groen af te wijken. Daarbij heeft de raad terecht betrokken dat - naar ter zitting is bevestigd - geen gebruik is gemaakt van de voorheen bestaande bestemmings- of bebouwingsmogelijkheden voor deze kavels.

Het betoog faalt ook in zoverre.

2.6. De Verademing betoogt dat de aanduiding "geluidszone industrie" op de verbeelding ten onrechte niet overeenkomt met de geluidszone zoals die is vermeld in het akoestisch onderzoeksrapport dat aan het plan ten grondslag ligt. Zij stelt dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gebruiksmogelijkheden van haar gronden.

2.6.1. De raad heeft bij de planvaststelling de aanduiding "geluidszone industrie" voor het gemeentelijke industrieterrein nabij de kavels IA en IE aangepast aan de omliggende verkaveling van de percelen met de bestemmingen "Kantoor (K)" en "Maatschappelijk (M)" waardoor deze zone groter is dan de zone zoals vermeld op de kaart bij het akoestisch onderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt. Voor de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk (M)" acht de raad dit aanvaardbaar, omdat een verzoek om verlening van een hogere grenswaarde industrielawaai is ingediend bij het bevoegd gezag en deze hogere waarde inmiddels is verleend. Voor de bestemming "Kantoor (K)" voor kavel IA acht de raad dit aanvaardbaar, omdat een kantoor geen geluidgevoelige bestemming is in de zin van de Wet geluidhinder, zodat de bepalingen omtrent industrielawaai voor de bestemming van kavel IA van geen betekenis zijn, aldus de raad.

2.6.2. De vaststelling in dit plan van een ruimere geluidszone dan die is vermeld op de kaart bij het geluidonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt, heeft voor dat grotere gebied tot gevolg dat op die gronden de planologische mogelijkheid ontstaat om de geluidbelasting vanwege de bedrijven op dit industrieterrein te doen toenemen tot het ingevolge artikel 5, lid 5.1.1., van de planregels binnen die zone geldende maximum van 50 dB(A), hoewel dit voor de bedrijfsvoering van die bedrijven, gelet op de uitkomsten van dit geluidonderzoek niet nodig is. De enkele motivering van de raad dat de verkaveling van het gebied daartoe aanleiding geeft en dat verruiming geen gevolgen heeft voor het op kavel IA aanwezige kantoor, is onvoldoende draagkrachtig. In dit verband is van belang dat weliswaar een kantoor in de Wet geluidhinder niet is aangemerkt als geluidgevoelig object, maar zoals is geoordeeld in de uitspraak van 15 januari 2003 inzake nr. 200200707/1, Rucphen, dienen bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven die een zekere bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder behoeven, wel als geluidgevoelig te worden aangemerkt, zij het dat die ruimten niet dezelfde bescherming behoeven te krijgen als in het geval van een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming. Voorts diende de raad bij de vaststelling van het plan de vraag te beantwoorden of een bestemming "Kantoren (K)" bij verruiming van de geluidszone vanwege het industrieterrein wel een goede ruimtelijke ordening is. De raad heeft zich blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting niet over deze vragen gebogen.

2.6.3. In hetgeen De Verademing heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de aanduiding "geluidszone industrie" op de verbeelding niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6.4. De Afdeling ziet aanleiding een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de raad opnieuw dient te voorzien met inachtneming van deze uitspraak.

De Afdeling ziet eveneens aanleiding te bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover dat betrekking heeft op de aanduiding "geluidszone industrie" op de verbeelding niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht behoeft te geschieden. Dit betekent in dit geval dat de raad een besluit tot vaststelling kan nemen zonder dat hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage behoeft te worden gelegd.

2.6.5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente 's-Gravenhage van 9 juli 2009, kenmerk no. 86, voor zover het betreft de aanduiding "geluidszone industrie" op de verbeelding;

III. draagt de raad van de gemeente 's-Gravenhage op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor de aanduiding genoemd onder II te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. bepaalt dat het nieuwe besluit voor zover dat betrekking heeft op de aanduiding genoemd onder II niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht hoeft te geschieden;

V. treft de voorlopige voorziening dat als geluidszone industrie op de verbeelding geldt de geluidszone van 50 dB(A) als vermeld op de geluidszonekaart bij het akoestisch onderzoek van 22 augustus 2008, kenmerk I.2008.0150.00.R001, dat aan het plan ten grondslag ligt;

VI. bepaalt dat de onder V opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een plan waarin deze aanduiding opnieuw is vastgesteld;

VII. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente 's-Gravenhage tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. De Verademing in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. De Verademing het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Nolles

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

291-659.