Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200903709/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 3 februari 2009 vastgestelde uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan deelplan 19, bestemmingsplan Ypenburg-Nootdorp".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903709/1/R1.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 3 februari 2009 vastgestelde uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan deelplan 19, bestemmingsplan Ypenburg-Nootdorp".

Tegen dit besluit heeft de gemeente Pijnacker-Nootdorp bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2010, waar de gemeente Pijnacker-Nootdorp, vertegenwoordigd door mr. L. Lever, advocaat te Leiden, en R. Broekhuijzen en C.D. van Schieveen, beiden werkzaam bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. M. Houtman, werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

Voorts zijn daar het Hoogheemraadschap van Delfland, vertegenwoordigd door mr. T. Dreessen, ir. H.J. ten Dam en ir. J. Tighelaar, allen werkzaam bij het Hoogheemraadschap, en Dura Vermeer Bouw Leidschendam BV, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton en mr. J.C. Tebrugge, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een uitwerking van de bestemming "Uit te werken gebied voor woondoeleinden (UW)" op grond van het bestemmingsplan "Ypenburg-Nootdorp", wat betreft het gebied dat aan het noorden en noordwesten wordt begrensd door het plangebied van het bestemmingsplan "Ypenburg-Nootdorp, tweede herziening (deelplan 19)", aan het zuidoosten door het Gooland en de Veenweg en aan het zuidwesten door het Kanaal (Molensloot) en de bestaande bebouwing van Ypenburg. Het college heeft het uitwerkingsplan bij het bestreden besluit goedgekeurd.

2.3. Het beroep van de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft betrekking op de goedkeuring van het plandeel met de dubbelbestemming "Waterstaat-waterkering". Zij voert aan dat het plan op dit punt ten onrechte met zich brengt dat percelen van inwoners van de gemeente Pijnacker-Nootdorp binnen de beschermingszone van de waterkering komen te liggen, waardoor beperkingen in de bouwmogelijkheden zullen ontstaan. De gemeente Pijnacker-Nootdorp betoogt dat ten onrechte geen overleg met haar is gevoerd over de wijziging van de aanduiding 'aardewal' in de dubbelbestemming "Waterstaat-waterkering". Voordat het college van burgemeester en wethouders tot vaststelling van het plan kon overgaan, had volgens haar een waterkering op het grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp gerealiseerd moeten zijn, dan wel had instemming van de gemeente Pijnacker-Nootdorp dienen te zijn verkregen. Dit is niet gebeurd, aldus de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Tot slot voert zij aan dat het in de rede ligt dat de gemeente Den Haag aanbiedt om alle kosten, die gepaard gaan met een mogelijke wijziging van het bestemmingsplan om een waterkering op het grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp mogelijk te maken, voor haar rekening te nemen. Onder deze kosten vallen eveneens planschadeverzoeken, aldus de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

2.4. Met betrekking tot de door de raad ter zitting bestreden ontvankelijkheid van het beroep van de gemeente Pijnacker-Nootdorp tegen de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waterstaat-waterkering" overweegt de Afdeling als volgt.

Ter zitting is komen vast te staan dat bij het bestreden besluit op dit punt vermogensrechtelijke belangen van de publieke rechtspersoon gemeente Pijnacker-Nootdorp als eigenaar van gronden ter plaatse zijn betrokken, zodat zij als belanghebbende bij het plan ter zake kan worden aangemerkt.

De Afdeling overweegt voorts dat het beroep van de gemeente Pijnacker-Nootdorp niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze, maar dat het plandeel gewijzigd is vastgesteld; in het ontwerpplan hadden de desbetreffende gronden de bestemming "Woondoeleinden" en gedeeltelijk de aanduiding 'aardewal'. Tegen de gewijzigde planvaststelling kan - zonder het tijdig indienen van zienswijzen - uitsluitend worden opgekomen voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen voor betrokkene een ongunstiger positie bewerkstelligen.

2.5. Ingevolge artikel 3.I van de voorschriften van het ontwerpplan waren de gronden daarmee bestemd voor:

a. vrijstaande en halfgeschakelde woningen;

b. bijbehorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven, en parkeergelegenheid.

Ingevolge artikel 3.II, eerste lid, onder d, van de voorschriften van het ontwerpplan zijn ter hoogte van de aanduiding 'aardewal' geen gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en diepwortelende beplanting toegestaan.

In het vierde lid, onder a, van dit artikel was bepaald dat ter hoogte van de aanduiding 'aardewal' een aardewal aanwezig dient te zijn met een uiteindelijke maximale en minimale hoogte van -1,25 meter N.A.P.

Bij de vaststelling van het plan is de aanduiding 'aardewal' vervangen door de dubbelbestemming "Waterstaat-waterkering".

Ingevolge artikel 5.I, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Waterstaat-waterkering" aangewezen gronden primair bestemd voor de instandhouding van een waterkering, secundair voor de bestemming in artikel 3 "Woondoeleinden", voor zover deze met de bestemming "Waterstaat-waterkering (dubbelbestemming)" samenvallen.

Ingevolge artikel 5.II van de planvoorschriften gelden voor het bouwen op de voor "Waterstaat-waterkering (dubbelbestemming)" aangewezen gronden de volgende bepalingen:

1. ten behoeve van de bestemming "Waterstaat-waterkering (dubbelbestemming)" zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, toegestaan;

2. ten behoeve van de bestemming in artikel 3 "Woondoeleinden" zijn geen bouwwerken toegestaan.

2.6. Naar het oordeel van de Afdeling kan op voorhand niet worden uitgesloten dat de gemeente Pijnacker-Nootdorp door de wijziging bij de vaststelling van het plan van de aanduiding 'aardewal' in de dubbelbestemming "Waterstaat-waterkering" in een ongunstiger situatie is geraakt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestemming tot waterkering strekt tot het juridisch-planologisch mogelijk maken van de leggerwijziging, waarna beschermingszones zullen worden vastgesteld, die mogelijk over grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp zullen worden gelegd. Gelet hierop is het beroep van de gemeente Pijnacker-Nootdorp dan ook ontvankelijk.

2.7. De Afdeling stelt allereerst vast dat geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat op dit punt niet zou zijn gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betoog slaagt niet.

Ten aanzien van het betoog van de gemeente Pijnacker-Nootdorp dat als gevolg van de bestemmingswijziging de gebruiksmogelijkheden van gronden binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp worden beperkt, omdat deze gronden in de beschermingszone van de waterkering komen te liggen, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet kan slagen nu het voorliggende plan niet voorziet in een beschermingszone. De beschermingszones zullen worden vastgesteld in het kader van de besluitvorming omtrent wijziging van de legger. De bestemming tot waterkering strekt hoofdzakelijk tot het juridisch-planologisch mogelijk maken van de leggerwijziging. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft niet aannemelijk gemaakt dat hieruit zodanige nadelige gevolgen voor haar voortvloeien, dat de raad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid doorslaggevend belang heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de bestemmingswijziging worden gediend.

Ter zitting is overigens door het Hoogheemraadschap verklaard dat zij alle kosten die voortvloeien uit de leggerwijziging en uit het sluiten van de waterkering op het grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp op zich zal nemen en dat een beroep kan worden gedaan op de Nadeelcompensatieverordening van het Hoogheemraadschap. Ook dit betoog faalt derhalve.

2.8. De conclusie is dat hetgeen de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010