Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200906284/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Laakwijk-Schipperskwartier" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 45K, p. 511 (afl. 2010, 8)
Milieurecht Totaal 2010/2060
JOM 2010/690
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906284/1/R1.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

appellant,

en

de raad van de gemeente 's-Gravenhage,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Laakwijk-Schipperskwartier" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Tebrugge en mr. A.G. van Keulen, werkzaam bij Cleton&Com. B.V. vastgoed- en ruimtelijke ontwikkeling, en de raad, vertegenwoordigd door J.E. Leenders en ing. F.A.G. van der Meijden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd-1 (GD-1)" voor het perceel op de hoek van de Neherkade en de Slachthuislaan dat de ontwikkeling van 31 studentenwooneenheden mogelijk maakt. Het college betoogt dat die bestemming te risicovol is gelet op de wijze waarop in de plantoelichting de verhoging van het groepsrisico veroorzaakt door het LPG-tankstation aan de Neherkade (tegenover het perceel waarop die wooneenheden zijn voorzien) is verantwoord.

Niet duidelijk is, aldus het college, of de maatregelen die de raad voorstelt te nemen daadwerkelijk zullen worden genomen en tot risicoreductie zullen leiden. Evenmin is, aldus het college, ingegaan op het negatieve advies van de brandweer en op de kritiek van de brandweer wat betreft de zelfredzaamheid van de bewoners van de voorziene wooneenheden. Het college bestrijdt het standpunt van de raad dat na het treffen van enkele maatregelen het groepsrisico slechts in geringe mate hoger zal zijn dan de oriëntatiewaarde. Ook is niet onderzocht, aldus het college, of de verkoop van LPG op deze locatie mogelijk moet blijven en evenmin of de voorziene woningen op een andere plek kunnen worden gerealiseerd.

2.2. De raad heeft bij de vaststelling van het plan de mogelijkheid voor de ontwikkeling van studentenwoningen op het aangegeven perceel gehandhaafd, in de toelichting bij het plan de verantwoording van de aanpak van het groepsrisico veroorzaakt door het LPG-tankstation aangepast en de gronden van het LPG-tankstation buiten het plan gelaten. Daarbij heeft de raad, blijkens de plantoelichting, overwogen dat weliswaar uit een onderzoek naar de externe-veiligheidssituatie volgt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico thans wordt overschreden, maar dat de volgende, aanvullende maatregelen zullen worden genomen: het aanbrengen van hittewerende coating op LPG-tankwagens, mogelijke vervanging en verplaatsing van de bestaande tank van 40 m3 door een tank van 20 m3, verkleining van de doorzet tot 500 m3 en een inspanningsverplichting om de ingang van de studenteneenheden zodanig te situeren dat bewoners bij de brandhaard vandaan kunnen vluchten. Het groepsrisico zal dan, aldus de raad, slechts in geringe mate groter zijn dan de oriëntatiewaarde.

2.3. De Afdeling stelt vast dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) van toepassing is op het LPG-station aan de Neherkade.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 13 van het Bevi, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarde genoemd in artikel 8, eerste lid, en de afstanden krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer in acht en wordt in de plantoelichting verantwoording afgelegd over het groepsrisico van de voor dat besluit van belang zijnde, aanwezige inrichtingen. Artikel 13, onder b, van het Bevi bevat een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Onder groepsrisico wordt gelet op artikel 1, eerste lid, sub k, van het Bevi verstaan: de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100, of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder f, g, h, en i, van het Bevi moet in de toelichting bij een bestemmingsplan in elk geval worden vermeld

(f) de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico,

(g) de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst,

(h) de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval in de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt en

(i) de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, om zich in veiligheid te brengen, indien zich in die inrichting een ramp of zwaar ongeval voordoet.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico vanwege het LPG-station thans reeds wordt overschreden en dat het plandeel dat de bouw van 31 studentenwoningen mogelijk maakt is voorzien binnen de groepsrisicocontour van het LPG-station.

Voorts staat vast dat door de realisering van de studentenwoningen de personendichtheid in het invloedsgebied zal toenemen.

Het college stelt terecht dat de raad het aanbrengen van een hittewerende coating op tankauto's niet kan afdwingen, nu die maatregel de uitvoering betreft van een convenant tussen het ministerie van VROM en de LPG sector. Ten tijde van het bestreden besluit stond nog niet vast wanneer de voorgenomen maatregel zou worden neergelegd in een bindende verplichting. Ook de voorgestelde maatregel ten aanzien van de zelfredzaamheid van toekomstige bewoners is niet afdwingbaar. De initiatiefnemer kan, zoals ook de raad in de plantoelichting stelt, ten hoogste een inspanningsverplichting worden opgelegd om in het ontwerp de ingang van het appartementengebouw zodanig te situeren dat de mogelijkheid ontstaat om van een eventuele brandhaard weg te kunnen vluchten. Voorts was ten tijde van het bestreden besluit geen gewijzigde milieuvergunning voor het LPG-station van kracht waarin de doorzet aan LPG is verlaagd en op grond waarvan de verlegging en verkleining van de ondergrondse LPG tank kon worden afgedwongen. Bovendien heeft de regionale brandweer Hulpverleningsregio Haaglanden in zijn bij het plan gevoegde advies van februari 2009 geadviseerd dit plandeel niet vast te stellen om redenen van zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en beheersbaarheid. Weliswaar kunnen, aldus dit advies, enige kansreducerende maatregelen worden getroffen, maar deze nemen de blijvende grootschalige effecten (grootschalig slachtofferbeeld) bij een daadwerkelijk incident niet weg. Bij realisering van het studentencomplex zal, aldus dit advies, het aantal slachtoffers alleen maar stijgen. Vanwege het grote beheersbaarheidsprobleem stellen de hulpdiensten voor om de meest vergaande maatregel aan de bronzijde te treffen, door middel van het beëindigen van de verkoop van LPG op deze locatie. Het college stelt terecht dat de raad in zijn verantwoording op deze aspecten uit het advies van de brandweer niet dan wel onvoldoende is ingegaan. Evenmin heeft de raad onderzocht of de voorziene studentenwoningen op een andere plek kunnen worden gerealiseerd. Daarmee heeft de raad niet voldaan aan de verantwoordingsplicht op grond van artikel 13 van het Bevi.

2.5. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Gemengd-1 (GD-1)" voor het perceel op de hoek van de Neherkade en de Slachthuislaan is vastgesteld in strijd met artikel 13 van het Bevi. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het dit plandeel betreft dient te worden vernietigd.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente 's-Gravenhage van 9 juli 2009, kenmerk nr. 87, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd-1 (GD-1)" voor het perceel op de hoek van de Neherkade en de Slachthuislaan;

III. gelast dat de raad van de gemeente 's-Gravenhage aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Nolles

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

291-659.