Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200908652/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een baksteenfabriek aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 1 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4147
JOM 2010/749
OGR-Updates.nl 10-111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908652/1/M2.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie, gevestigd te Arnhem, hierna: de Milieufederatie,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een baksteenfabriek aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 1 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de Milieufederatie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2010, waar de Milieufederatie, vertegenwoordigd door drs. M.J. Visschers, en het college, vertegenwoordigd door drs. J.L. Mercus, is verschenen. Verder is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door E. Koning en K.J. de Kat, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

De Milieufederatie heeft geen zienswijzen naar voren gebracht. Voor zover de beroepsgronden van de Milieufederatie geen betrekking hebben op wijzigingen van het bestreden besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan, kan de Milieufederatie redelijkerwijs worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht. Hieruit volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het de gronden inzake de voorschriften over diffuse stofemissie en over het afvullen van silo's, de gegevens in de aanvraag over stof, fluoride en zwaveldioxide en de emissienorm voor fluoride betreft.

2.2. De Milieufederatie kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1. In dit voorschrift is bepaald, voor zover hier van belang, dat de concentratie stof in de gereinigde afgassen van de vlamovens niet meer dan 50 mg per kubieke meter mag bedragen. Volgens de Gelderse Milieufederatie had een norm van 5 mg per kubieke meter moeten worden gesteld, omdat deze norm is genoemd in de Nederlandse emissierichtlijn lucht van Infomil (www.infomil.nl), en omdat in het bij besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juli 2009 vastgestelde Nederlandse Samenwerkingsprogramma Lucht (en het ter voorbereiding daarvan in 2008 opgestelde Actieplan Fijn Stof en Industrie) zou zijn bepaald dat deze norm moet worden gesteld.

2.3. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.1. Het door de Milieufederatie genoemde Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht is gebaseerd op artikel 5.12 van de Wet milieubeheer. In dit artikel is - kort weergegeven - bepaald dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een programma vaststelt dat is gericht op het bereiken van grenswaarden.

Een dergelijk plan, dat is gericht op het op het gehele grondgebied van Nederland bereiken van grenswaarden, is naar zijn aard bedoeld noch geschikt als beoordelingskader voor de voorschriften die moeten worden gesteld bij de verlening van een milieuvergunning voor een individuele inrichting. Het college heeft het plan dan ook terecht niet tot uitgangspunt genomen bij de invulling van de hem bij de toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid.

2.3.2. Ingevolge artikel 1, eerste en derde lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten, samen met de tabellen 1 en 2 van de bijlage bij deze regeling, zijn als documenten waarmee het bevoegd gezag bij het bepalen van de beste beschikbare technieken voor de inrichting in kwestie rekening moet houden aangewezen de BREF keramische industrie (hierna: de BREF) en de oplegnotitie BREF keramische industrie (hierna: de oplegnotitie). Het college heeft de BREF en de oplegnotitie dan ook op goede gronden tot uitgangspunt genomen bij onder meer de beoordeling van de stofconcentratie in de afgassen van de vlamovens.

In paragraaf 5.1.4.2 van de BREF (p. 206) is vermeld dat toepassing van een 'cascade-type packed bed adsorber' - zoals wordt toegepast in de inrichting - kan worden aangemerkt als toepassing van de beste beschikbare technieken. Uit paragraaf 5.1.3.4 volgt dat bij deze techniek kan worden verwacht dat de stofconcentratie die 50 mg per kubieke meter lucht in de gereinigde afgassen niet overschrijdt. In de oplegnotitie wordt vermeld dat bij een inrichting als hier aan de orde een stofemissie overeenkomstig paragraaf 5.1.3.4 van de BREF kan worden vergund.

Het college heeft gezien het voorgaande terecht geconcludeerd dat de in voorschrift 3.1 gestelde emissie-eis voor stof in overeenstemming is met de BREF keramische industrie en de oplegnotitie, en deze grenswaarde op goede gronden aan de vergunning verbonden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. De Milieufederatie kan zich verder niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.2 en 3.4. Deze voorschriften bevatten, kort weergegeven, een verplichting om onderzoek te doen naar de mogelijkheden van reductie van uitstoot van stof, fluoride en zwaveldioxide. Volgens de Milieuvereniging bestaat ten onrechte geen mogelijkheid voor derden om inspraak te plegen over de onderzoeksresultaten, en is in ieder geval ten onrechte niet bepaald dat een bij de bestuursrechter beroepbaar besluit moet worden genomen over de onderzoeksresultaten.

2.4.1. In artikel 8.13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is bepaald dat aan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu andere voorschriften kunnen worden verbonden, die in ieder geval kunnen inhouden dat in een mate als bij het voorschrift aangegeven, onderzoek moet worden verricht naar mogelijkheden tot verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de andere aan de vergunning verbonden voorschriften voorzien.

2.4.2. De vergunningvoorschriften 3.2 en 3.4 zijn voorschriften als bedoeld in artikel 8.13, eerste lid, aanhef en onder b. Uit deze bepaling noch uit enig ander wettelijk voorschrift of algemeen rechtsbeginsel vloeit de plicht voort om bij het stellen van deze voorschriften in een inspraakprocedure te voorzien, of om de onderzoeksresultaten onderwerp te laten zijn van een voor beroep vatbaar besluit.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. De Milieufederatie kan zich verder niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.3. In dit voorschrift is bepaald dat de zwaveloxidenconcentratie afkomstig van de vlamoven niet meer mag bedragen dan 200 mg per kubieke meter. De Milieufederatie betoogt dat toepassing van zwavelarme toeslagstoffen of een nageschakelde techniek moeten worden aangemerkt als beste beschikbare technieken. De in voorschrift 3.3 gestelde grenswaarde is volgens haar te hoog, omdat bij toepassing van deze technieken een lagere grenswaarde had kunnen worden gesteld.

2.5.1. In de BREF is in hoofdstuk 5 een tabel gegeven van te verwachten emissies bij toepassing van de beste beschikbare technieken (p. 206 en 207). In de tabel is vermeld dat een emissie van zwaveloxiden van minder dan 500 mg per kubieke meter lucht kan worden verwacht bij toepassing van grondstoffen met een zwavelgehalte van minder dan 0,25%, en 500 tot 2000 mg per kubieke meter bij gebruik van grondstoffen met een hoger zwavelgehalte. Gelet hierop wordt er in de BREF van uitgegaan dat het gebruik van grondstoffen met een hoog zwavelgehalte verenigbaar is met toepassing van de beste beschikbare technieken. Verder is in de BREF, zoals eerder overwogen, de in de inrichting toegepaste nageschakelde techniek genoemd als een in aanmerking komende beste beschikbare techniek.

Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat de inrichting wat de toegepaste grondstoffen en de nageschakelde techniek betreft in overeenstemming is met de eis dat de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de gronden inzake de voorschriften over diffuse stofemissie en over het afvullen van silo's, de gegevens in de aanvraag over stof, fluoride en zwaveldioxide en de emissienorm voor fluoride betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

262.