Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
201004854/2/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2010:BM0950
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

<b>Geen uitstel voor Zwartewaterland om maatregelen te nemen tegen drankkeet</b>

De gemeente Zwartewaterland moet op korte termijn een beslissing nemen welke maatregelen zij neemt tegen een drankkeet in de gemeente. De gemeente mag niet wachten met een beslissing hierover tot een definitieve uitspraak van de Raad van State in het geschil dat zij heeft met Koninklijke Horeca Nederland. Dat heeft de Raad van State bepaald in een voorlopige uitspraak van vandaag (5 juli 2010) naar aanleiding van een spoedverzoek van de gemeente.

Het gemeentebestuur van Zwartewaterland had in maart 2009 een verzoek van Koninklijke Horeca Nederland (KHN) afgewezen om op te treden tegen een jongerenkeet in de gemeente. De afdeling Kampen/Zwartewaterland van KHN had de gemeente gevraagd maatregelen te nemen tegen de keet, omdat er sprake zou zijn van een volwaardig café, terwijl de keet niet beschikt over een drank- en horecavergunning. Het gemeentebestuur is van mening dat het hier gaat om een 'verlengde huiskamer' waarvoor geen vergunning nodig is. Volgens het gemeentebestuur komt een vaste vriendengroep van ongeveer 16 personen iedere week op zaterdagavond in de keet en worden de consumpties op basis van een rooster bij toerbeurt verzorgd door twee jongeren. De aanwezige jongeren betalen vervolgens niet voor de alcoholhoudende drank, aldus het gemeentebestuur.

De rechtbank in Zutphen heeft in april jl. KHN in het gelijk gesteld en geoordeeld dat de keet op grond van de Drank- en Horecawet wel een vergunning nodig heeft. Volgens de rechtbank is er geen sprake van het 'anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank'. Als de jongeren op avonden vrij willen kunnen drinken, dan zullen ze een keer de boodschappen moeten betalen, aldus de rechtbank.

Het gemeentebestuur is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad van State zal later een definitief, inhoudelijk oordeel vellen over deze kwestie. In afwachting hiervan, heeft het gemeentebestuur de Raad van State met spoed verzocht de uitspraak van de rechtbank voorlopig te schorsen, om in de tussentijd geen maatregelen te hoeven nemen.

Dit verzoek heeft de Raad van State nu afgewezen. Volgens de Raad van State heeft het gemeentebestuur 'onvoldoende spoedeisend belang' bij deze zaak. Als het gemeentebestuur optreedt tegen de drankkeet heeft dit tot gevolg dat er geen alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. 'Dit heeft geen onomkeerbare gevolgen', aldus de Raad van State.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004854/2/H3.

Datum uitspraak: 5 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2010 in zaak nr. 09/1836 in het geding tussen:

de vereniging Afdeling Kampen-Zwartewaterland van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN) gevestigd te Kampen,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het college het verzoek van KHN om handhavend op te treden ten aanzien van "Keet de Blokhut" te Zwartsluis afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft het college het door KHN daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door KHN daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 oktober 2009 vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 juni 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2010, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[partij] is als vertegenwoordiger van "Keet de Blokhut" in de gelegenheid gesteld om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht als partij aan het geding deel te nemen.

Het college en KHN hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door K. Stoppels, werkzaam bij de gemeente, en KHN, vertegenwoordigd door D.A. Hogervorst, directeur van de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging horeca-activiteiten, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor het verstrekken van alcoholhoudende drank in "Keet de Blokhut" een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) verplicht is, omdat de alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse anders dan om niet wordt verstrekt. Nu voor het verstrekken van alcoholhoudende drank in "Keet de Blokhut" geen vergunning is verleend, had het college volgens de rechtbank gebruik moeten maken van zijn handhavingsbevoegdheid.

2.3. Het verzoek van het college strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak, voor zover deze inhoudt de verplichting om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college betoogt dat de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat het bezwaar bij het nieuw te nemen besluit gegrond moet worden verklaard en dat het gebruik moet maken van zijn handhavingsbevoegdheid ingevolge de DHW.

2.3.1. Ter zitting bij de voorzitter heeft het college verklaard dat het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening erin is gelegen dat de jongeren graag bijeen willen blijven komen in "Keet de Blokhut" om aldaar alcoholhoudende drank te nuttigen. Deze jongeren gaan volgens het college niet naar de plaatselijke horeca, omdat de alcoholhoudende drank in de plaatselijke cafés te duur is.

De voorzitter overweegt dat, indien na een nieuw te nemen besluit op bezwaar handhavend wordt opgetreden ingevolge de DHW, dit tot gevolg heeft dat geen alcoholhoudende drank in "Keet de Blokhut" mag worden verstrekt. Dit heeft evenwel geen onomkeerbare gevolgen. Naar het oordeel van de voorzitter is het door het college gestelde belang dan ook onvoldoende spoedeisend om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Den Broeder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2010

187-581.