Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
201000630/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college aan de stichting medegedeeld dat met ingang van met ingang van 1 januari 2010 de subsidie wordt beëindigd met inachtneming van een afbouwperiode van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000630/1/H2.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting voor Kreativiteitsontwikkeling Midden-Limburg, gevestigd te Thorn, gemeente Maasgouw,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 december 2009 in zaak nr. 09/708 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college aan de stichting medegedeeld dat met ingang van met ingang van 1 januari 2010 de subsidie wordt beëindigd met inachtneming van een afbouwperiode van drie jaren.

Bij uitspraak van 9 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 februari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. T.H.H.A. van der Schoot, gemachtigde, en drs. A.H.A.T. Adams, directeur van de stichting, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J.A.M. Gielen en J.M.G.J. Woodcock-Mulders, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 2008 is de Algemene subsidieverordening van de gemeente Roerdalen (hierna: de ASv) in werking getreden.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de ASv kan het college op basis van deze verordening per deelterrein een beleidsplan en of nadere beleidsregels vaststellen. Deze beleidsregels kunnen bepalen:

a. wat de grondslagen zijn voor de verstrekking en berekening van de subsidie;

b. welke specifieke criteria bij het vaststellen van de subsidie gelden.

Op 1 juli 2008 heeft het college de Beleidsregel Subsidieverlening Cultuur vastgesteld. Volgens de beleidsregel subsidieert de gemeente ter zake van muziek - instrumentaal nog slechts muziekverenigingen.

2.2. Het college heeft met inachtneming van een termijn van acht maanden aan de stichting medegedeeld dat de subsidie met ingang van 1 januari 2010 wordt beëindigd. Het college neemt daarbij een afbouwtermijn in acht van drie jaren, waarbij de stichting conform artikel 21, tweede lid, van de ASv het navolgende nog zal ontvangen:

van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 € 54.602,25

van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 € 36.401,50 en

van 1 januari 2012 tot 1 januari 2013 € 18.200,75.

Het college heeft aan die mededeling ten grondslag gelegd dat het, mede vanwege harmonisatie van het subsidiebeleid in de herindelingsgemeente Roerdalen, een subsidiebeleid hanteert dat uitingen van cultuur in verenigingsverband bevordert. Om die reden worden muziekopleidingen, zoals verzorgd door de stichting, niet langer gesubsidieerd, maar kunnen muziekverenigingen met subsidie zelf opleidingen inkopen bij een instelling of docent naar keuze.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was de subsidie te weigeren. Daartoe voert zij aan dat het nieuwe beleid in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld en dat het niet evenredig en onredelijk is.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ASv aan het college ter zake van het voeren van subsidiebeleid een ruime vrijheid toekent die de rechter bij de toetsing daarvan heeft te respecteren. Het door het college gevoerde beleid overschrijdt de grenzen van zijn bevoegdheid niet. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het door hem gevoerde subsidiebeleid. Het college heeft bij zijn beleidskeuze in redelijkheid groot gewicht mogen toekennen aan het bevorderen van uitingen van cultuur in verenigingsverband. Daarbij heeft het college er in redelijkheid voor kunnen kiezen de muzieklessen nog slechts via de muziekverenigingen te subsidiëren. Dat het nieuwe subsidiebeleid tot gevolg heeft dat de tussen de stichting en het college bestaande subsidierelatie wordt beëindigd, maakt niet dat het beleid reeds daarom als onredelijk of onevenredig zou moeten worden aangemerkt. Het college is niet verplicht om instellingen die langdurig subsidie hebben ontvangen in stand te houden.

2.4. De stichting betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de grondslag van het besluit mede is gelegen in artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college heeft in het besluit van 23 maart 2009 uiteengezet dat het de subsidie weigert voor een volgend tijdvak met inachtneming van een termijn en een afbouwregeling. Dit besluit kan niet anders worden aangemerkt dan als een besluit bedoeld in voormelde bepaling. Weliswaar had het college deze bepaling ingevolge artikel 3:47, tweede lid, van de Awb in het besluit dienen te vermelden, maar nu de stichting door het achterwege laten daarvan niet in haar belangen is geraakt, ziet de Afdeling hierin geen aanleiding het besluit te vernietigen.

2.5. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een onevenredige afweging van de bij het besluit betrokken belangen. De stichting voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat zij in de huidige situatie, waarbij de gemeenten waarin zij activiteiten ontplooit andere subsidiewijzen en -criteria hanteren, een zeer ongunstige concurrentiepositie heeft. Het college had ten minste een waarderingsbijdrage dienen te verstrekken, aldus de stichting.

2.5.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college een subsidie, die voor drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten, ingevolge artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk mag weigeren op de grond, dat gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten en dat het college daarbij een ruime beleidsvrijheid toekomt. Voorts is de rechtbank, gelet op de ASv en de beleidsregel, terecht tot de conclusie gekomen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van gewijzigde inzichten die zich tegen voorzetting van de subsidierelatie verzetten. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2008 in zaak nr. 200705490/1 is hiermee de grondslag voor de beslissing de subsidie binnen de gestelde termijn te beëindigen gegeven.

Zoals de Afdeling in dezelfde uitspraak heeft overwogen dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van Awb ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen. De rechtbank heeft de duur van de subsidierelatie dan ook terecht niet doorslaggevend geacht voor de beoordeling van het besluit tot beëindiging daarvan.

Nu het college negen maanden voor aanvang van het tijdvak waarin geen subsidie meer wordt verstrekt deze beëindiging heeft aangekondigd en voorts een overgangsregeling heeft getroffen waarbij over drie jaren het in 2009 verstrekte subsidiebedrag telkens met een derde van dat bedrag wordt verlaagd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college geen redelijke termijn in acht heeft genomen als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals ter zitting door het college nader is toegelicht, de stichting in de afbouwperiode slechts gehouden is cursussen aan te bieden tegen een redelijk cursustarief en dat het college de gelden die in de afbouwperiode worden verstrekt niet zal terugvorderen in het geval de stichting vanwege een door de afbouw van de subsidie noodzakelijke wijziging van de prijsstelling van de cursussen minder cursisten heeft. Dat de stichting mede door beëindiging van de subsidierelatie moeilijk kan concurreren, maakt niet dat de afbouwregeling reeds daarom niet redelijk is. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 7 juni 2006 in zaak nr. 200505439/1, artikel 4:51 van de Awb niet verplicht tot het hanteren van een dusdanige termijn dat de levensvatbaarheid van een voormalige subsidieontvanger is gegarandeerd.

2.6. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet in een nadeliger positie is terechtgekomen doordat het college na de herroeping van het besluit van 8 oktober 2007 door de rechtbank opnieuw een besluit heeft genomen waarbij het college heeft medegedeeld dat de subsidie wordt beëindigd met inachtneming van een afbouwperiode van drie jaren, maar waarbij de afbouwregeling voor de stichting minder gunstig is.

2.6.1. De rechtbank heeft het besluit van 8 mei 2008 vernietigd en het besluit van 8 oktober 2007, waarbij de subsidie met ingang van 1 januari 2008 werd beëindigd, herroepen op de grond dat niet het college, maar de raad van de gemeente Roerdalen op dat moment bevoegd was de subsidie met ingang van 1 mei 2008 te beëindigen. Door deze uitspraak op haar beroep heeft de stichting over de jaren 2008 en 2009 alsnog subsidie ontvangen. Derhalve valt niet in te zien waarom de stichting door het instellen van beroep tegen het besluit van 8 oktober 2007 in een nadeliger positie is komen te verkeren. Dat het college in het besluit van 23 maart 2009 heeft gekozen voor een andere afbouwregeling waarmee de subsidie in dezelfde periode van drie jaar sneller wordt afgebouwd, maakt dat niet anders, nu de stichting met inbegrip van de jaren 2008 en 2009 meer subsidie heeft ontvangen dan zij zou hebben ontvangen indien zij geen beroep had ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2008.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

362.