Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200908958/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft de minister de voor het project 'Automobielverkoopster' (projectnummer 98130074; hierna: het project) voor de jaren 1998 en 1999 aan Zadkine verleende subsidie lager vastgesteld op een bedrag van ƒ 44.645,00 (€ 20.259,02) en een bedrag van ƒ 55.358,59 (€ 25.120,63) teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908958/1/H2.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting ROC voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2009 in zaak nr. 03/3039 in het geding tussen:

Zadkine

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, thans de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft de minister de voor het project 'Automobielverkoopster' (projectnummer 98130074; hierna: het project) voor de jaren 1998 en 1999 aan Zadkine verleende subsidie lager vastgesteld op een bedrag van ƒ 44.645,00 (€ 20.259,02) en een bedrag van ƒ 55.358,59 (€ 25.120,63) teruggevorderd.

Bij besluit van 4 september 2003 heeft de minister het door Zadkine daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 oktober 2009, verzonden op 13 oktober 2009, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door Zadkine daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Zadkine bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 december 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaken nrs. 200906448/1, 200907335/1, 200907337/1, 200907339/1, 200907350/1, 200907354/1, 200909702/1, 200909703/1, 200909802/1, 200909814/1, 200909817/1, 200909820/1 en 200909929/1, ter zitting behandeld op 6 april 2010, waar Zadkine, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam, vergezeld door ir. J.C.N.E. Willems, en mr. E.J. Slachter, beiden werkzaam bij Zadkine, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gelauff, ambtenaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Na zitting zijn de zaken van elkaar gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. De subsidie is verstrekt uit het Europees Sociaal Fonds (hierna: het ESF), één van de structuurfondsen van de Europese Unie. Dit Fonds vindt zijn grondslag in de artikelen 146 en 148 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans, na wijziging, de artikelen 162 en 164 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU). Op grond van artikel 158 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 174 van het VWEU, wordt onder meer het ESF ingezet bij het voeren van een Europese structuurpolitiek. Op grond van de artikelen 161, 163 en 209 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, de artikelen 177, 179 en 242 van het VWEU, zijn twee kaderverordeningen vastgesteld waarin de hoofdlijnen van het structuurfondsenbeleid zijn neergelegd, namelijk de Verordening nr. 2052/88 van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten, zoals gewijzigd in artikel 1 van de Verordening nr. 2081/93 (PB 1993 L 193), en de Verordening nr. 4253/88 van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van de Verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, zoals gewijzigd in artikel 1 van de Verordening nr. 2082/93 (PB 1993 L 193) (hierna: de Coördinatieverordening). Onder verwijzing naar voormelde Verordeningen en de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 augustus 1994, nr. C (94)1414, waarbij de Commissie het Enig Programmeringsdocument voor de structurele bijstandsverlening door de Gemeenschap (het ESF) voor het gehele Nederlandse grondgebied met betrekking tot doelstelling 3 heeft goedgekeurd voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1999 onder vaststelling van prioritaire zwaartepunten en van een indicatief financieringsplan, heeft het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening besloten tot vaststelling van Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA nr. 1994/187, Stcrt. 1994, 239, zoals gewijzigd bij CBA nr. 1995/232, Stcrt. 1995, 205 en CBA nr. 1997/034, Stcrt. 1997, nr. 30; hierna: de ESF-regeling).

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95 van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995 L 312) wordt onder onregelmatigheid verstaan elke inbreuk op het Unierecht die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Europese Unie of de door de Europese Unie beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen die rechtstreeks voor rekening van de Europese Unie worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

Ingevolge artikel 2, derde lid, bepaalt het Unierecht de aard en de draagwijdte van de administratieve maatregelen en sancties die voor een juiste toepassing van de betrokken regeling nodig zijn rekening houdend met de aard en de ernst van de onregelmatigheid, het toegekende of ontvangen voordeel, evenals de mate van schuld.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening, voor zover thans van belang, nemen de lidstaten, teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, bij de tenuitvoerlegging van de acties de nodige maatregelen om:

- regelmatig te verifiëren dat de door de Europese Unie gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd,

- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,

- door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren.

Behalve indien de lidstaat en/of de bemiddelende instantie en/of de projectontwikkelaar het bewijs levert/leveren dat het misbruik of de nalatigheid hem/hun niet kan worden aangerekend, is de lidstaat subsidiair aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen.

2.1.1. Ingevolge artikel 4:37 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot:

(…)

b. de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

c. het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

(…)

f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de ESF-regeling draagt de aanvrager er zorg voor dat een aparte projectadministratie wordt gevoerd, bestaande uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken. Waar mogelijk dienen voldoende waarborgen te bestaan ten aanzien van functiescheiding.

Ingevolge het tweede lid, geeft de deelnemersadministratie inzicht in de geplande, gerealiseerde en geprognotiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, geeft de financiële administratie inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

Ingevolge het vijfde lid biedt de administratie voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole en controle op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, wordt het definitieve subsidiebedrag vastgesteld aan de hand van de ingediende declaratie als bedoeld in artikel 13 en met inachtneming van hetgeen overigens is gebleken. Het definitieve subsidiebedrag is niet hoger dan het bedrag van de toezegging, noch hoger dan het bedrag dat controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften van deze regeling is.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, toegevoegd bij besluit van 31 januari 1997, Stcrt. 1997, nr. 30, voor zover thans van belang, vindt intrekking van een verleende subsidie plaats, indien de aanvrager de aan de subsidie verbonden voorwaarden niet of onvoldoende naleeft.

2.2. Zadkine heeft bij formulier, gedateerd 12 november 1997 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de ESF-regeling voor het project voor de periode van 1 maart 1998 tot 28 februari 1999. Bij brief van 9 april 1998 heeft de uitvoerder, Zadkine Contract Activiteiten BV, de Afdeling ESF van de Arbeidsvoorziening Rijnmond medegedeeld dat er onvoldoende vrouwelijke kandidaten waren om het project op de beoogde datum van 9 maart 1998 van start te kunnen laten gaan en dat in overleg met de Arbeidsvoorziening is besloten om het project ook open te stellen voor mannelijke deelnemers. Bij voldoende aanmeldingen zou het project op 20 april 1998 van start gaan. Bij brief van 30 juni 1998 heeft de uitvoerder de Afdeling ESF van de Arbeidsvoorziening Rijnmond medegedeeld dat, hoewel het beoogde aantal deelnemers nog niet gerealiseerd was, het project op 11 mei 1998 van start is gegaan. Bij brief van 22 september 1998 heeft de uitvoerder aan de Afdeling ESF van de Arbeidsvoorziening Rijnmond medegedeeld dat het aantal cursisten op dat moment 11 bedroeg, waarvan er 9 een uitkering ontvingen. Het subsidiebedrag diende daarom gereduceerd te worden met een bedrag van ƒ 70.000,00 (€ 31.764,62). Voorts is medegedeeld dat is besloten de lessen vijf weken eerder te laten stoppen dan gepland. Bij brief van 15 december 1998 heeft Zadkine de Arbeidsvoorziening verzocht het project te verschuiven naar de periode van 1 mei 1998 tot en met 30 april 1999.

Bij besluit van 9 februari 1998 heeft de Regionale Directie van de Arbeidsvoorziening Rijnmond (hierna: de Regionale Directie) voor het project voor het jaar 1998 een subsidie verleend van maximaal ƒ 200.007,18 (€ 90.759,30). Bij besluit van 5 mei 1999 heeft de Regionale Directie voor het project voor het jaar 1999 een subsidie verleend van maximaal ƒ 76.228,00 (€ 34.590,76). Bij besluit van 21 mei 1999 is, naar aanleiding van het verminderde aantal deelnemers en de gewijzigde looptijd van het project, de subsidieverlening gewijzigd en is voor het project, met een gewijzigde projectperiode van 1 maart 1998 tot en met 30 april 1999, een subsidie voor het jaar 1998 verleend van maximaal ƒ 123.000,00 (€ 55.814,97). Bij dat besluit is de verplichting opgelegd dat de aanvrager een aparte projectadministratie voert waarin alle gegevens zijn te verifiëren die zijn opgenomen in de aanvraag en de rapportageformulieren.

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Regionale Directie, de aan Zadkine verleende subsidie lager vastgesteld op een totaalbedrag van ƒ 44.645,00 (€ 20.259,02) en een bedrag van ƒ 55.358,59 (€ 25.120,63) teruggevorderd. Hij heeft de lagere vaststelling gebaseerd op een rapport van 29 juli 2002, opgesteld door het Team Interne Controle/Operational Audit van Arbeidsvoorziening Nederland (hierna: Team IC), waarin is geconstateerd dat de projectadministratie niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen, omdat noodzakelijke deelnemersinformatie in de administratie ontbreekt waardoor vier deelnemers niet als subsidiabel kunnen worden aangemerkt en de registratie van de voor het project gemaakte kosten en de daaraan bestede uren niet geheel juist en volledig was.

Bij besluit van 4 september 2003 heeft de minister het daartegen door Zadkine gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 oktober 2002, onder aanvulling van de gronden waarop dat rust, gehandhaafd.

2.3. Zadkine betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat weliswaar het gebruik van het Primaire Gemeenschappelijke Informatiesysteem (hierna: het PGI) - het geautomatiseerde bestand van de Arbeidsvoorziening - als verlengstuk van de projectadministratie geoorloofd was en de daarin opgenomen gegevens niet direct in haar eigen projectadministratie hoefden te zijn opgenomen, maar dat daarmee niet is gegeven dat zij ter zake van de in het PGI opgenomen gegevens geen enkele verplichting of verantwoordelijkheid meer had en dat, aangezien de gegevens uit de projectadministratie niet alleen ten tijde van de uitvoering van het project en de indiening van de einddeclaratie, maar ook nadien beschikbaar moesten zijn, het voor haar rekening en risico komt dat ten tijde van de controle gegevens niet meer in het PGI waren opgenomen. Zadkine voert aan dat nu de Arbeidsvoorziening het gebruik van het PGI als verlengstuk van de eigen deelnemersadministratie geoorloofd heeft geacht, de Arbeidsvoorziening er ook voor had moeten zorgen dat de gegevens daarin lang genoeg werden bewaard. Bovendien werden de deelnemers uit het bestand van de Arbeidsvoorziening geworven en gezamenlijk met de Arbeidsvoorziening geselecteerd, zodat er vanuit moet worden gegaan dat zij aan de eisen voldeden en subsidiabel waren, aldus Zadkine.

2.3.1. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 10 van de ESF-regeling en de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen is het de eigen verantwoordelijkheid van Zadkine een aparte deelnemersadministratie te voeren, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd. Deze gegevens moeten niet alleen ten tijde van de uitvoering van het project en van de indiening van de einddeclaratie, maar ook nadien beschikbaar zijn voor uit te voeren controles. Dat de Arbeidsvoorziening gebruik van het door haar beheerde PGI als verlengstuk van de door Zadkine gevoerde deelnemersadministratie geoorloofd heeft geacht, dat de minister eerst na geruime tijd de administratie heeft laten controleren en dat de deelnemers uit het bestand van de Arbeidsvoorziening werden geworven en gezamenlijk met de Arbeidsvoorziening werden geselecteerd, brengt geen verandering in het feit dat de juridische verantwoordelijkheid voor een juiste en volledige administratie bij Zadkine berustte. Zoals ook is vermeld in de toelichting op artikel 10 van de ESF-regeling is de aanvrager verantwoordelijk voor een goede projectadministratie, ook als deze elders wordt gevoerd. De omstandigheid dat gegevens van een aantal deelnemers ten tijde van de controle door het Team IC niet meer beschikbaar waren, omdat deze uit het PGI zouden zijn verwijderd, komt dan ook, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, voor rekening en risico van Zadkine.

2.4. Zadkine betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat uit de rapportage van 29 juli 2002 van het Team IC blijkt dat rekening is gehouden met de latere start van het project en de daarmee gepaard gaande uitloop, in ieder geval tot en met 30 april 1999, maar dat de na 31 maart 1999 gemaakte (stage)uren niet in de beoordeling konden worden betrokken omdat deze niet waren geregistreerd, er aan voorbij is gegaan dat zij in haar reactie van 26 september 2002 op het onderzoeksrapport van het Team IC heeft aangegeven dat de in verband met de (stage)uren gemaakte kosten aantoonbaar waren aangezien de uren werden geregistreerd aan de hand van de stageovereenkomst. Volgens Zadkine is het Team IC bij de controle ten onrechte gestopt toen de feitelijke termijn waarbinnen het project diende te lopen verstreken was.

2.4.1. Dit betoog faalt evenzeer. Volgens de op 12 november 1997 gedateerde aanvraag zou het project in de periode vanaf 1 maart 1998 tot 28 februari 1999 worden uitgevoerd. In het verleningsbesluit van 9 februari 1998 is van deze periode uitgegaan. Zoals volgt uit 2.2, heeft Zadkine nadien verzocht de projectperiode te wijzigen en is de Regionale Directie in het besluit van 21 mei 1999 uitgegaan van een gewijzigde projectperiode van 1 maart 1998 tot en met 30 april 1999. Niet is gebleken dat Zadkine tegen het laatst vermelde besluit bezwaar heeft gemaakt, noch dat zij na 21 mei 1999 heeft verzocht om verlenging van de projectperiode. De rechtmatigheid van de subsidieverlening is daarmee in deze procedure een gegeven en kan niet meer aan de orde worden gesteld bij de vaststelling van de subsidie. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, is het Team IC bij de controle van het project dan ook terecht uitgegaan van een looptijd van het project van 1 maart 1998 tot en met 30 april 1999.

Voor het bij de subsidievaststelling betrekken van na voormelde periode gemaakte stage-uren bestaat geen grond, aangezien de minister, teneinde de voortgang van het project goed te kunnen volgen en te kunnen voldoen aan zijn rapportageplicht jegens de Europese Commissie, na afloop van de opgegeven projecttermijn inzicht diende te hebben in de in het kader daarvan gemaakte kosten. Gelet daarop zijn de na 30 april 1999 gemaakte stage-uren bij de vaststelling van de subsidie terecht buiten beschouwing gelaten.

2.5. Zadkine betoogt tevens, samengevat weergegeven, dat de rechtbank wat betreft het uurtarief van de docent van Zadkine die de uitvoerder van het project heeft ingehuurd, ten onrechte heeft overwogen dat op grond van de ESF-regeling door de docent besteedde voorbereidingsuren apart in de projectadministratie geregistreerd dienden te worden. Zadkine voert aan dat het uurtarief de feitelijk door de docent gemaakte lesuren betreft en dat overeenkomstig de geldende CAO elk lesuur ongeveer één uur aan voorbereiding en nazorg met zich brengt. Verder voert Zadkine aan dat de door de docent gemaakte lesuren zijn geregistreerd, nu dit volgt uit de docentroosters en ziekte uren die werden geregistreerd.

2.5.1. In de toelichting bij de op 12 november 1997 gedateerde aanvraag is onder 5.9 'Toelichting op de begroting' vermeld dat het tarief van Zadkine voor een docent/trainer ƒ 1.420,00 (€ 644,37) per dag bedraagt, inclusief voorbereidingstijd. Nu de subsidie op grond van die aanvraag is verleend, behoefde, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de voorbereidingstijd per lesuur niet apart in de projectadministratie te worden geregistreerd. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Daartoe wordt in aanmerking genomen dat in het rapport van het Team IC de kosten van de lesuren van de docent van Zadkine primair als niet subsidiabel zijn aangemerkt, omdat aan die uren geen urenregistratie ten grondslag lag. Zadkine is hierop niet ingegaan in haar reactie van 26 september 2002 op het rapport van het Team IC. De enkele stelling van Zadkine in hoger beroep dat die lesuren door middel van docentenrooster werden geregistreerd is onvoldoende voor het oordeel dat de minister het onderzoeksrapport van Team IC wat betreft dit punt niet aan zijn besluit van 1 oktober 2002, dat bij besluit van 4 september 2003 is gehandhaafd, ten grondslag mocht leggen.

2.6. Zadkine betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aangezien de minister op basis van de wel te controleren gegevens de subsidie niet op nihil maar op een lager bedrag heeft vastgesteld, geen grond bestaat voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat de omstandigheid dat het doel waarvoor de subsidie is verleend grotendeels is bereikt daaraan niet afdoet, nu dat geen rechtvaardiging vormt voor het niet voldoen aan de op haar rustende verplichtingen. Volgens Zadkine gaat de rechtbank er aldus ten onrechte aan voorbij dat het hier een discretionaire bevoegdheid betreft en dat de minister er wel degelijk rekening mee had moeten houden dat het doel waarvoor de subsidie is verleend grotendeels is bereikt.

2.7. Ook dit betoog faalt. De minister heeft de subsidie lager vastgesteld krachtens artikel 14, eerste lid, ESF-regeling, waarin onder meer is bepaald dat het definitieve subsidiebedrag niet hoger is dan het bedrag dat controleerbaar en in overeenstemming is met de voorschriften van de ESF-regeling. De vaststelling van de subsidie krachtens deze bepaling is, anders dan Zadkine betoogt, geen discretionaire bevoegdheid van de minister. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen laat deze bepaling geen ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat, anders dan Zadkine betoogt, het besluit van 1 oktober 2002 niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel is genomen, nu de minister op basis van de wel te controleren gegevens de subsidie niet op nihil maar op een lager bedrag heeft vastgesteld.

2.8. Zadkine betwist tot slot het oordeel van de rechtbank dat, samengevat weergegeven, geen ruimte bestaat het besluit van 4 september 2003 aan het nationale vertrouwensbeginsel te toetsen en dat haar ook geen beroep toekomt op het unierechtelijke vertrouwensbeginsel, omdat zij in strijd met artikel 10 van de ESF-regeling heeft gehandeld. Zij voert aan dat de projectadministratie op dezelfde wijze is gevoerd als in het verleden en dat zij, gelet op de rechtstreekse werking van artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening en de plicht om de subsidie krachtens de ESF-regeling zo nodig lager vast te stellen, erop mocht vertrouwen dat de minister de vastgestelde subsidie niet meer zou wijzigen. Verder voert Zadkine aan dat zij niet opzettelijk en evenmin min of meer opzettelijk niet heeft voldaan aan de verplichting een deugdelijke aparte projectorganisatie te voeren. Volgens Zadkine is er geen sprake van een kennelijke schending van de ESF-regeling, zodat haar een beroep toekomt op het vertrouwensbeginsel.

2.8.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 maart 2008 in de gevoegde zaken C-383/06 tot en met C-385/06, ESF (www.curia.europa.eu) volgt dat in dit geval aan het vertrouwensbeginsel toepassing moet worden gegeven overeenkomstig de regels van het Unierecht, omdat de verplichting de verloren middelen te recupereren voortvloeit uit artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening, en dat daarom geen ruimte bestaat het bezwaar van Zadkine aan het nationale vertrouwensbeginsel te toetsen. Het Hof van Justitie heeft in het arrest verder, in punt 56, overwogen dat op het unierechtelijke vertrouwensbeginsel geen beroep kan worden gedaan door een begunstigde die zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijke schending van de geldende regeling en daarbij verwezen naar het arrest van 12 december 1985 in zaak 67/84, Sideradria/Commissie, punt 21 (www.curia.europa.eu). Uit deze arresten leidt de Afdeling af dat volgens het Hof van Justitie sprake is van een kennelijke schending van de geldende regeling, indien de schending kenbare vereisten of verplichtingen ingevolge de geldende regeling betreft. Nu ingevolge artikel 10, eerste lid, van de ESF-regeling de aanvrager ervoor zorg draagt dat een aparte projectadministratie wordt gevoerd, bestaande uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken, was voor Zadkine, als aanvrager, kenbaar aan welke administratieve verplichtingen zij ingevolge de ESF-regeling moest voldoen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Zadkine in strijd met artikel 10 van de ESF-regeling gehandeld. Gelet op het vorenstaande betekent dit dat Zadkine zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijke schending van de geldende regeling en dat haar daarom geen beroep toekomt op het op deze zaak van toepassing zijnde unierechtelijke vertrouwensbeginsel.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

507/502.