Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200908523/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 2 juli 2008, heeft het college geweigerd [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van het tuinbouwbedrijf met 2.530,88 m3 bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908523/1/H1.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, voorheen gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 14 oktober 2009 in zaak nr. 08/8225 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te [woonplaats]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 2 juli 2008, heeft het college geweigerd [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van het tuinbouwbedrijf met 2.530,88 m3 bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij ongedateerd besluit, door [wederpartij] ontvangen op 29 oktober 2008, heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2010, waar het college, vertegenwoordigd door A. de Vries, werkzaam voor de gemeente, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zevenhuizen Landelijk Gebied 1990".

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [wederpartij] op het vertrouwensbeginsel heeft laten slagen. Het college voert hiertoe aan dat aan [wederpartij] niet de toezegging is gedaan dat vrijstelling voor het bouwplan zal worden verleend.

2.2.1. Dit betoog slaagt. Uit de brieven van het college van 16 december 1997, 16 september 2004 en 11 november 2004 en de brief van de raad van de gemeente van 15 februari 2005, die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, blijkt niet dat aan [wederpartij] ondubbelzinnig is toegezegd dat in de toekomst, los van ingang gezette ontwikkelingen, voor een bouwplan als het onderhavige vrijstelling en bouwvergunning zal worden verleend. Deze brieven - bezien in hun onderlinge samenhang - komen er op neer dat het college daarin aangeeft bereid te zijn medewerking te verlenen aan het in procedure brengen van een vrijstelling met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Over de uitkomst daarvan is geen toezegging aan [wederpartij] gedaan. [wederpartij] heeft dan ook niet aan genoemde brieven het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat vrijstelling voor het bouwplan zal worden verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde niet besproken beroepsgronden beoordelen.

2.4. Anders dan [wederpartij] in beroep betoogt, kan niet worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te weigeren. Het perceel van [wederpartij] is gelegen binnen het gebied waarvoor vijf betrokken gemeenteraden in 2006 het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (hierna: ISP) hebben vastgesteld. Dat plan voorziet ter plaatse in onder meer grootschalige woningbouw. Deze planologische ontwikkeling is in 2006 tevens vastgelegd in de herziening van het Streekplan Zuid-Holland-oost. Voorts is het bestemmingsplan Zuidplas-west in voorbereiding, waarin op basis van het ISP nadere invulling aan de woningbouwontwikkeling ter plaatse zal worden gegeven. Verder heeft de gemeenteraad, samen met de omliggende gemeenten, op basis van het ISP een beleidsnota Interimbeleid vastgesteld. Voor een bedrijfsuitbreiding als waarin het onderhavige bouwplan voorziet biedt dit interimbeleid in verband met de te verwachten ontwikkelingen ter plaatse, geen ruimte. Het interimbeleid bevat wel de mogelijkheid om 'vrijstellingen met maatwerk' te verlenen indien is voldaan aan onder meer de voorwaarden dat het bouwplan in geen geval leidt tot een belemmering van de uitvoering van het ISP. Het college heeft ter zake advies gevraagd aan de Projectgroep driehoek RZG Zuidplas, die bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken gemeenten, de provincie Zuid-Holland, de Regionale Grondbank en het Projectbureau Zuidplas. De projectgroep heeft het college op 8 april 2008 schriftelijk geadviseerd geen medewerking aan vrijstelling te verlenen, reeds omdat het bouwplan zich niet met de toekomstige ontwikkelingen ter plaatse verdraagt.

Het college heeft het bouwplan van [wederpartij] derhalve terecht in strijd geacht met de toekomstige ontwikkeling van het gebied te plaatse alsook met het (inter)gemeentelijk en provinciaal beleid.

Hetgeen [wederpartij] verder in dit verband naar voren heeft gebracht biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het ter zake gevoerde vrijstellingsbeleid heeft mogen vasthouden. Van bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken is, gelet op overweging 2.2.1, niet gebleken.

2.5. Het college heeft de gevraagde bouwvergunning dan ook terecht geweigerd.

2.6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 oktober 2009 in zaak nr. 08/8225;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

202.