Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200907258/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning en een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907258/1/H1.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2009 in zaak nr. 08/1904 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning en een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 28 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 april 2008 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.P. Randewijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. O.W. Wagenaar, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan, dat voorziet in het uitbreiden van de woning met een tuinkamer en van de garage/berging met een tuinberging, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Olland wijziging VI". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Het geschil beperkt zich tot de voorziene uitbreiding van de garage/berging met een tuinberging.

2.2. Het college heeft op 30 augustus 2005 als beleidsregels voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vastgesteld de voorschriften zoals opgenomen in artikel 14 "wonen" en artikel 18 "vrijstellingen" van het bestemmingsplan "Sint-Oedenrode Zuid".

Volgens artikel 14, zesde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Sint-Oedenrode Zuid" (hierna: de planvoorschriften) gelden, voor zover thans van belang, voor het bouwen van een bijgebouw binnen de 'zone erf' de volgende bepalingen:

a. goothoogte maximaal 3 meter;

b. bouwhoogte bij volledig platte afdekking maximaal 3 meter;

c. nokhoogte bij kapconstructie = maximale goothoogte vermeerderd met de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, tot een totale maximum hoogte van 6 meter;

d. gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen maximaal 150 m2;

e. oppervlak van een vrijstaand bijgebouw maximaal 100 m2;

f. afstand tussen vrijstaande gebouwen tenminste 2 meter;

g. dakhelling vrij (bij kapconstructie).

Volgens artikel 18, twaalfde lid, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 14, zesde lid, voor het bouwen van een bijgebouw in de zijdelingse perceelsgrens met een maximale bouw-/nokhoogte van 6 m, met dien verstande dat de vrijstelling uitsluitend verleend wordt als de bebouwing aan weerszijden van de perceelsgrens op dezelfde wijze aaneen gebouwd wordt, met inachtneming van het bepaalde in het dertiende lid.

2.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de nokhoogte van de berging volgens artikel 14, zesde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften maximaal 5,5 m mag bedragen. Aan dat standpunt heeft het ten grondslag gelegd dat de nok van de kap van de berging zich op ongeveer 2,5 m van de zijdelingse perceelsgrens bevindt en derhalve volgens dat artikel 2,5 m hoger mag zijn dan de maximale goothoogte van 3 m.

De rechtbank heeft dat standpunt onjuist geacht. Volgens haar dient voormelde bepaling zo te worden uitgelegd, dat, om de maximale nokhoogte van een bijgebouw te berekenen, de maximale goothoogte van 3 m moet worden vermeerderd met de afstand van het bijgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens en derhalve niet met de afstand van de nok van het bijgebouw tot die grens. Nu de berging tegen de perceelsgrens wordt gebouwd, bedraagt de afstand tussen beide 0 m, zodat de nokhoogte van het bijgebouw maximaal 3 m mag bedragen, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door het college aan artikel 14, zesde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften gegeven uitleg onjuist is.

2.4.1. De hiervoor onder 2.2 weergegeven onderdelen van artikel 14, zesde lid, van de planvoorschriften hebben alle betrekking op het bouwen van een bijgebouw. Dit in aanmerking genomen en gezien de redactie van het in onderdeel c opgenomen vereiste inzake de nokhoogte bij kapconstructie, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, als bedoeld in artikel 14, zesde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, dient te worden gerelateerd aan het bijgebouw als zodanig en niet aan de nok daarvan. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten voor een ander oordeel naar voren gebracht. Voor de berekening van de maximale nokhoogte moet derhalve de maximale goothoogte van 3 m worden vermeerderd met de afstand van het bijgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens. Nu de beoogde berging een nokhoogte heeft van 5,5 m, terwijl die hoogte volgens artikel 14, zesde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften in dit geval maximaal 3 m mag bedragen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan met die bepaling in strijd is.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2009 in zaak nr. 200805627/1 geoordeeld dat, nu [wederpartij] geen toestemming wenst te verlenen voor het afbreken van de op de erfgrens gelegen schutting, die gemeenschappelijk eigendom is van [appellant] en [wederpartij] en dient te worden verwijderd teneinde realisering van de berging mogelijk te maken, zich thans een evidente privaatrechtelijke belemmering voordoet die aan de verlening van vrijstelling in de weg staat.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

457.