Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
201005048/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor het oprichten van winkels, een supermarkt, woningen en bijbehorende terreininrichting op een perceel aan de Zuiderzeestraatweg/Van Sytzamalaan te Oldenbroek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005048/2/H1.

Datum uitspraak: 25 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 mei 2010 in zaak nr. 10/59 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor het oprichten van winkels, een supermarkt, woningen en bijbehorende terreininrichting op een perceel aan de Zuiderzeestraatweg/Van Sytzamalaan te Oldenbroek.

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een supermarkt, winkels en appartementen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de verleende vrijstelling en bouwvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 4 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juni 2010, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. drs. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, en G. Visscher, M. Schoppink en F. Hoogenraad, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door haar [directeur], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag slechts en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

2.3. Het bouwplan is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Oldebroek Kom" en "Oldebroek 1975". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend. Voorts heeft het college in weerwil van het negatieve welstandsadvies van het Gelders Genootschap van 12 februari 2009 onder toepassing van de in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet neergelegde bevoegdheid bouwvergunning verleend.

2.4. Het verzoek strekt tot schorsing van de besluiten van 16 juni 2009, 25 juni 2009 en 1 december 2009. Aan het verzoek heeft [verzoeker] onder meer ten grondslag gelegd dat de vrijstelling niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ondanks het negatieve welstandsadvies bouwvergunning heeft verleend. Voorts heeft hij aangevoerd dat de bodem van het perceel verontreinigd is en daarop derhalve ingevolge artikel 2.4.1 van de Bouwverordening niet mag worden gebouwd en dat het bouwplan in strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen.

2.4.1. In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het besluit van 1 december 2009 in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daartoe overweegt de voorzitter als volgt.

2.4.2. De ruimtelijke onderbouwing voor het project is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing locatie 'Oldebroek-Centrum'". Daarin wordt ingegaan op alle vanuit ruimtelijk oogpunt ter zake relevante aspecten, zoals de huidige en toekomstige bestemming, het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en geluidhinder en luchtkwaliteit. Voorshands is de voorzitter van oordeel dat het college aldus voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het project uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

2.4.3. Met betrekking tot het negatieve welstandsadvies heeft het college in de besluiten uiteengezet waarom het ondanks dat advies met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet bouwvergunning heeft verleend. In dat verband heeft het aangegeven dat het maatschappelijke belang gediend is bij de realisering van het bouwplan, dat thans overeenstemming is bereikt met alle benodigde partijen en dat het bouwplan zal zorgen voor een economische impuls voor de voorzieningen in de kern van Oldenbroek. Voorts heeft het college gewezen op de samenhang van het bouwplan met andere ontwikkelingen in de kern, het verlies van subsidie indien het plan niet tijdig wordt gerealiseerd en de hogere kosten die nieuwe planvorming meebrengt.

Gelet op de omstandigheid dat de wetgever colleges van burgemeester en wethouders uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft verleend om ook bouwvergunning te verlenen voor bouwplannen die in strijd zijn met redelijke eisen van welstand en gezien de beleidsvrijheid die het college terzake toekomt, is de voorzitter van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college aldus voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het, ondanks het negatieve welstandsadvies, de bouwvergunning heeft verleend.

2.4.4. Wat betreft de beroepsgronden van [verzoeker] dat de bodem van het perceel is verontreinigd en daarop derhalve ingevolge artikel 2.4.1 van de Bouwverordening niet mag worden gebouwd en dat in strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, twijfelt de voorzitter of deze in hoger beroep nog aan de orde kunnen worden gesteld. Voor zover die vraag bevestigend moet worden beantwoord, biedt hetgeen [verzoeker] terzake heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de bouwvergunning in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Het college heeft ter zitting verklaard dat een grondwatersanering plaatsvindt en dat, voor zover er thans nog een verontreiniging aanwezig is, deze niet aan realisering van het bouwplan in de weg staat. Voorts heeft het college aldaar aan de hand van het primaire besluit en de daarbij behorende tekeningen toegelicht dat ten behoeve van het bouwplan 106 parkeerplaatsen nodig zijn en dat 125 plaatsen zullen worden aangelegd. Volgens het college is het bouwplan dan ook niet in strijd met de artikelen 2.4.1 en 2.5.30 van de Bouwverordening. [verzoeker] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dat standpunt naar voren gebracht, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bouwvergunning ten onrechte is verleend.

2.4.5. Gezien het voorgaande, verwacht de voorzitter dat uiteindelijk zal blijken dat het college vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan heeft mogen verlenen. Gelet hierop, en na afweging van de betrokken belangen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2010

457.