Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200908477/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2009:BJ9185, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antennemast op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908477/1/H1.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Enschede,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 september 2009 in zaak nr. 08/1254 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen, allen wonend te [woonplaats]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antennemast op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college het door [wederpartij] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij] en anderen, bijgestaan door mr. J.H.W. Averdijk, advocaat te Enschede, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door A. van den Berg, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een lichte bouwvergunning binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit, als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid de bouwvergunning verlenen, indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet gehouden was de aanvraag om bouwvergunning aan te houden. Daartoe voert hij aan dat ten tijde van binnenkomst van de bouwaanvraag sprake was van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, van de Woningwet, zodat de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Woningwet niet gold.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2006 in zaak nr. 200502347/1), beoogt de aanhoudingsplicht van artikel 50, eerste lid, van de Woningwet te voorkomen dat zich in de aanloop naar een herziening van het geldende bestemmingsplan of het van kracht worden van een bestemmingsplan, in het plangebied ontwikkelingen voordoen die het door de planwetgever voorgestane toekomstige planologische regime doorkruisen.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 september 2007 in zaak nr. 200608504/1), volgt uit artikel 50 van de Woningwet dat het college bij beantwoording van de vraag of de bouwaanvraag moet worden aangehouden dient te beoordelen of één van de in artikel 44 van de Woningwet opgenomen weigeringsgronden zich voordoet, waaronder de vraag of het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien er geen weigeringsgrond is, moet de bouwvergunning worden aangehouden. Indien er wel een weigeringsgrond is, moet de bouwvergunning worden geweigerd.

Van een aanhoudingsplicht kan alleen sprake zijn, indien de bouwaanvraag is binnengekomen nadat een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

Niet in geschil is dat geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, b, c en e, van de Woningwet, gelezen in verbinding met het derde lid van dat artikel, zich voordoet. Voorts is niet in geschil dat het college bij besluit van 29 april 2008 heeft geweigerd lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een antennemast op het perceel vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van het thans voorliggende bouwplan heeft het college zich echter op het standpunt gesteld dat afgeweken moet worden van het negatieve advies van de welstandscommissie "Het Oversticht" van 26 mei 2008, omdat de weigering om voor de antennemast bouwvergunning te verlenen een inmenging oplevert in het in artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) beschermde recht op vrijheid van meningsuiting. Daargelaten of het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, betekent dit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, van de Woningwet zich evenmin voordoet. Nu de raad van de gemeente Enschede op 7 april 2008 het bestemmingsplan "Twekkelerveld 2005" heeft vastgesteld en dit bestemmingsplan ten tijde van de binnenkomst van de bouwaanvraag op 29 mei 2008 ter inzage lag, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de bouwaanvraag, gelet op artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, had moeten worden aanhouden.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het college ingevolge artikel 50, vierde lid, van de Woningwet bevoegd is tot doorbreking van de ingevolge het eerste lid van dat artikel geldende aanhoudingsplicht, indien het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan "Twekkelerveld 2005". Alvorens tot verlening van de bouwvergunning over te gaan, had het college derhalve moeten beoordelen of het bouwplan in overeenstemming is met dit bestemmingsplan. Door dit na te laten, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het betoog faalt.

2.3. Het betoog van het college dat de rechtbank niet heeft onderkend dat deze toets niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid, faalt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200702411/1), is artikel 10 van het EVRM een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet, gelezen in verbinding met artikel 93 van die wet. De eerbiediging van het recht op vrije meningsuiting brengt mee dat, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Twekkelerveld 2005", de activiteiten van Beukema, die gemachtigd radiozendamateur is, aanleiding kunnen geven tot het buiten toepassing laten van de voorschriften van dit bestemmingsplan in zoverre deze aan de oprichting van de antennemast in de weg zouden staan. Voorwaarde daarbij is dat de antennemast noodzakelijk is voor de uitoefening van de door artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde rechten en zich geen situatie voordoet die naar het oordeel van het college, gelet op artikel 10, tweede lid, van het EVRM, beperking van die rechten rechtvaardigt. Daarbij dient, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200702439/1), aandacht te worden geschonken aan factoren als de afstand van de antennemast tot de woningen en de tuinen van omwonenden in relatie tot de hoogte ervan, de vormgeving van de antennemast en de aard van zijn omgeving. Voorts dient de mast in uitgeschoven toestand te worden beoordeeld. Anders dan het college betoogt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat uit het besluit van 28 oktober 2008 in onvoldoende mate blijkt dat het college deze aspecten heeft betrokken.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede tot vergoeding van bij [wederpartij] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Enschede een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

531.