Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
200908368/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw ten behoeve van een distributiecentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/182
JOM 2010/559
JOM 2010/784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908368/1/H1.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2009 in zaak nr. 08/2908 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp, thans Amsterdam

Nieuw-West (hierna: het dagelijks bestuur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw ten behoeve van een distributiecentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het het door appellanten (hierna in enkelvoud: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 november 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [vergunninghoudster], de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Maasstede Vastgoedontwikkeling B.V. en Group 4 Securicor Cash Services B.V. (hierna: G4S) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De naamloze vennootschap Schiphol Area Development Company N.V. (hierna: SADC) heeft dat ook gedaan.

[appellant] heeft nog een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Leiden, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. Neerincx, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghoudster] en G4S, vertegenwoordigd door J.W. Bovy, onderscheidenlijk C.H. Boekee, bijgestaan door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, en SADC, vertegenwoordigd door drs. G. Kuper en drs. R.G. Fleurke, bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het in het op te richten gebouw te exploiteren distributiecentrum zal dienen ten behoeve van G4S.

2.2. [appellant] klaagt dat de rechtbank SADC ten onrechte als partij heeft toegelaten, nu zij door het besluit van 3 juni 2008 niet rechtstreeks in haar belang is getroffen.

2.2.1. SADC is geen eigenaar van het perceel. In haar nemen de gemeentes Haarlemmermeer, Amsterdam, de provincie Noord-Holland en Schiphol Group deel. Die zijn eigenaar van gronden in de regio Schiphol, waaronder die rondom het perceel. Volgens SADC heeft zij belang bij het in beroep bestreden besluit in verband met de uitleg van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lutkemeerpolder" (hierna: het bestemmingsplan). Het antwoord op de vraag, welke ondernemingen zich op het bedrijventerrein Business Park Amsterdam Osdorp kunnen vestigen, is van belang voor de waarde van de nog niet uitgegeven gronden op het bedrijventerrein, aldus SADC.

2.2.2. Nu dit echter slechts betrekking heeft op de mogelijkheden, dan wel onmogelijkheden van eventuele toekomstige uitgifte van andere gronden dan het perceel, is haar belang niet rechtstreeks bij het in beroep bestreden besluit betrokken. Derhalve is zij daarbij geen belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Hetgeen zij heeft ingebracht wordt buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft SADC ten onrechte op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als partij tot het geding toegelaten. Nu echter, hetgeen zij in beroep heeft ingebracht, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, voor haar beslissing niet van doorslaggevende betekenis is geweest, vormt de onterechte deelname aan het geding door SADC onvoldoende grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Bedrijven 1" (B1) met de aanduiding "beperking categorie III bedrijven".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften is het bedrijvenpark Lutkemeerpolder bedoeld om tegemoet te komen aan de vraag naar Schipholgebonden bedrijfsterreinen. Door de ontwikkeling van dit bedrijvenpark wordt in de eerste plaats ruimte geboden aan bedrijven met een sterke binding met de luchthaven Schiphol. Het gaat daarbij om bedrijven waarvoor het op grond van de plaats in de vervoersketen of op grond van de relatie met op Schiphol gevestigde bedrijven en bedrijfssoorten bedrijfseconomisch van groot belang is dat zij nabij Schiphol gevestigd zijn. Voor de beoordeling of bedrijven Schipholgebonden zijn, zijn criteria vastgesteld voor de omvang en/of frequentie van de relaties van het bedrijf met de luchthaven, aldus de bepaling.

Ingevolge artikel 1, onder BB, wordt onder een schipholgebonden bedrijf verstaan: een bedrijf dat op grond van de plaats in de vervoersketen of op grond van de relatie met op Schiphol gevestigde bedrijven en bedrijfssoorten, bedrijfseconomisch van groot belang is dat het nabij Schiphol is gevestigd.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Bedrijven 1" (B1), aangewezen voor bedrijven, als bedoeld in artikel 19 en artikel 3, eerste lid, met inbegrip van bijbehorende parkeervoorzieningen. De onbebouwde gronden zijn ook aangewezen voor erven, groenvoorzieningen, water en oevervoorzieningen. De bedrijven zijn slechts toegestaan, voor zover zij in de categorieën I, II en III van de bij artikel 19 behorende Staat van Inrichtingen voorkomen. Binnen de op de plankaart aangeven aanduiding "beperking categorie III bedrijven" zijn alleen categorie III bedrijven toegestaan, waarvoor in de genoemde staat een grootste afstand van 50 meter is genoemd en/of categorieën van bedrijfsactiviteiten die naar aard daarmee gelijk zijn. Het is niet toegestaan de gronden voor buitenopslag bij bedrijven te gebruiken.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn, voor zover de gronden met de bestemming "Bedrijven 1" (B1) mogen worden gebruikt voor bedrijven, slechts Schipholgebonden bedrijven, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, toegestaan die in de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen vallen onder de categorie I, II en III.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, is in afwijking daarvan het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing voor een bedrijf toegestaan dat niet in de Staat van Inrichtingen voorkomt en in vergelijking met bedrijven die wel vallen onder de toegelaten categorieën geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu G4S geen Schipholgebonden bedrijf is. Voor haar is bedrijfseconomisch niet van groot belang dat zij nabij Schiphol is gevestigd. Hij wijst ter toelichting op artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften en de toelichting bij het bestemmingsplan, waarin criteria zijn opgenomen voor het beoordelen van Schipholgebondenheid. Aan deze criteria is niet voldaan, aldus [appellant].

2.4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, gelezen in verbinding met de artikelen 3, eerste lid, en 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Bedrijven 1" (B1), in de eerste plaats aangewezen voor bedrijven met een sterke binding met de luchthaven Schiphol, waarbij het gaat om ondernemingen waarvoor het op grond van de plaats in de vervoersketen of op grond van de relatie met op Schiphol gevestigde bedrijven en bedrijfssoorten bedrijfseconomisch van groot belang is dat zij nabij Schiphol gevestigd zijn. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid onderzocht of de door G4S gedreven onderneming aan de in artikel 1, onder BB, van de planvoorschriften gegeven definitie van een Schipholgebonden bedrijf voldoet.

G4S voert voor Schiphol Nederland B.V. en andere op Schiphol gevestigde of aan Schiphol gerelateerde ondernemingen waardetransporten uit. Haar activiteiten bestaan onder meer uit het vervoeren van geld en/of waardepapieren van en naar de parkeerterreinen van Schiphol, de kantoorgebouwen van Schiphol Nederland B.V., de centrale kas op Schiphol, de geldcentrale van één van de grote banken en de geldautomaten van verschillende banken op Schiphol en het ad hoc verzorgen van transporten van Schiphol naar De Nederlandse Bank en verschillende juweliers. Ter zitting heeft zij onweersproken gesteld dat deze activiteiten een zo grote omvang hebben, dat het een hoofdactiviteit is van haar vestiging op het perceel. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht aangenomen dat de relatie tussen G4S en verschillende op Schiphol gevestigde ondernemingen meebrengt dat het efficiënt en bedrijfseconomisch van groot belang is om in korte tijd zaken van grote waarde veilig op hun bestemming te bezorgen en daaraan met juistheid de conclusie verbonden dat het dagelijks bestuur zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door G4S gedreven onderneming op het perceel een Schipholgebonden bedrijf, als bedoeld in artikel 1, onder BB, van de planvoorschriften, is. Het betoog faalt.

2.5. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 19 van de planvoorschriften, omdat de ter plaatse door G4S te ontplooien activiteiten niet binnen de in de Staat van Inrichtingen bij het bestemmingsplan opgenomen milieucategorieën passen. Volgens [appellant] voorziet artikel 19, derde lid, niet in een afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, dat bedrijven slechts zijn toegestaan, voor zover zij in de categorieën I, II en III van de bij artikel 19 behorende Staat van Inrichtingen voorkomen. Verder betoogt [appellant] dat, mochten ook bedrijfsactiviteiten die niet op de Staat van Inrichtingen voorkomen op het perceel worden ontplooid, dit niet geldt voor de activiteiten van G4S, omdat deze blijvende, onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu ter plaatse.

2.5.1. Artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften biedt de mogelijkheid om ook bedrijven die niet op de Staat van Inrichtingen voorkomen op gronden met de bestemming "Bedrijven I (B1)" toe te staan.

Voor zover [appellant] in dit verband betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat die bepaling onverbindend is, treft dit betoog geen doel. Met de eis voor het toelaten van bedrijven die, in afwijking van artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften, niet op de Staat van Inrichtingen voorkomen, dat deze in vergelijking met bedrijven die wel onder de toegelaten categorieën vallen geen blijvende, onevenredige afbreuk mogen doen aan het woon- en leefmilieu, is een voldoende objectief bepaalde relatie tussen het toelaten van bedrijvigheid en de bescherming van het woon- en leefmilieu ter plaatse vereist en biedt de bepaling voldoende aanknopingspunten voor een beoordeling in het concrete geval.

De door [appellant] in dit verband aangehaalde Koninklijke Besluiten van 1 april 1993, no. 93.002740; AB 1994/126 en 30 juli 1993, no. 93.006122; AB 1995/51, leiden niet tot een ander oordeel. Deze hebben betrekking op besluiten van gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring van bestemmingsplannen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 december 2009 in zaak nr. 200901679/1/H1), wordt bij de beantwoording van de vraag of het dagelijks bestuur het bouwplan op juiste wijze aan het bestemmingsplan heeft getoetst in beginsel van de juistheid van de bestemmingsregeling die in dit bestemmingsplan uitgegaan. Er is geen reden om dat in dit geval niet te doen.

2.5.2. Voorts heeft de rechtbank het bouwplan terecht niet in strijd met artikel 19 van de planvoorschriften geacht, omdat, hoewel de ter plaatse te ontplooien bedrijfsactiviteiten niet binnen de in de Staat van Inrichtingen bij het bestemmingsplan opgenomen milieucategorieën passen, het dagelijks bestuur heeft geoordeeld dat die activiteiten in vergelijking met die van inrichtingen die wel op de Staat van Inrichtingen zijn vermeld en op het perceel zijn toegelaten, geen blijvende, onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu ter plaatse en het dat oordeel toereikend heeft gemotiveerd.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur daartoe geen vergelijking mocht maken met de in de Staat van Inrichtingen opgenomen categorie "Veem- en pakhuisbedrijven, koelhuizen" als onderdeel van de daarin opgenomen hoofdcategorie "Dienstverlening ten behoeve van vervoer", hetgeen categorie III bedrijven zijn met als grootste in acht te nemen afstand 50 meter. Dat het, zoals [appellant] betoogt, ook had kunnen aansluiten bij de hoofdcategorie "Vervoer over land", is onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij is van belang dat het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat het binnen de categorie "Veem- en pakhuisbedrijven, koelhuizen" over het algemeen gaat om bedrijven waarin met grote koelwagens goederen worden vervoerd, teneinde deze in koelhuizen op te slaan, uit te sorteren, om te pakken of te herverpakken, dan wel in pakhuizen of koelhuizen op te slaan om deze na korte of langere periode weer op te halen. Het heeft er in dit verband op gewezen dat die activiteiten veelal 24 uur per dag plaatsvinden en dit bij G4S niet het geval is. Daarbij heeft het verder in aanmerking genomen dat de door G4S te gebruiken voertuigen niet op één lijn kunnen worden gesteld met de vrachtwagens die voor transport van en naar koel- en veemhuizen plegen te worden ingezet. Bij G4S gaat het volgens het dagelijks bestuur om kleinere vrachtwagens die voorts minder geluidsoverlast veroorzaken. Dat bij G4S in de ochtend in een korte periode veel voertuigen plegen te vertrekken, wat tot gevolg heeft dat gedurende die tijd enige overlast ontstaat, maakt niet dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de oprichting van het distributiecentrum van G4S in vergelijking met de bedoelde bedrijven die onder de toegelaten categorieën vallen, geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu.

De door [appellant] in hoger beroep overgelegde brief van 8 april 2010 van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht, volgens dewelke dat bij G4S een geluidsmeting heeft plaatsgevonden en geconstateerd is dat een overtreding heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die brief dateert van na het in beroep bestreden besluit.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

270-552.