Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
201003018/1/R1 en 201003018/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Kern Zevenhoven-Noordeinde 1e wijziging (Hertog Albrechtstraat 38-40)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003018/1/R1 en 201003018/2/R1.

Datum uitspraak: 21 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Kern Zevenhoven-Noordeinde 1e wijziging (Hertog Albrechtstraat 38-40)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 mei 2010, waar [appellant A], in persoon en bijgestaan door mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Prevoo, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door B.J.A. Könst, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 4.7.3 van het bestemmingsplan "Kern Zevenhoven en Noordeinde" is het college bevoegd de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van wijzigingsbevoegdheid IV te wijzigen in de bestemming "Wonen", al dan niet in combinatie met "Verkeer - verblijf".

Met het wijzigingsplan wordt de realisatie van tien woningen mogelijk gemaakt.

2.3. [appellant] betoogt dat het college geen toepassing had mogen geven aan de wijzigingsbevoegdheid, omdat daardoor zijn bedrijf in een nadeligere positie komt te verkeren. Daartoe voert hij aan dat realisering van de woningen, waarvan de dichtstbijzijnde op een afstand van 6,5 m is voorzien, zal leiden tot een beperking van zijn bedrijfsvoering, in het bijzonder in relatie tot de geluidemissie van zijn bedrijf. Voorts vreest hij voor waardevermindering van het pand. Volgens [appellant] is op onjuiste wijze toepassing gegeven aan de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure).

2.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrijf als een categorie 2 bedrijf als bedoeld in de VNG-brochure moet worden aangemerkt, nu dit past binnen de omschrijving "aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1000 m²". Voor zover van [appellant] betoogt dat zijn bedrijf, dat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan ter plaatse aanwezig was, bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid had moeten worden aangemerkt als een bedrijf in de categorie 3 en dat derhalve de voor die categorie aanbevolen afstanden in acht zouden moeten worden genomen, faalt dat betoog, reeds omdat op grond van het bestemmingsplan ter plaatse alleen bedrijven in de categorieën 1 en 2 zijn toegestaan. De verwijzing van [appellant] naar het door Braams Consult opgestelde advies van 25 mei 2010 kan hem dan ook niet baten.

2.5. In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die de brochure aanbeveelt gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Voor categorie 2 bedrijven wordt in de brochure een afstand van 30 m aanbevolen. Volgens de VNG-brochure is bij het omgevingstype gemengd gebied een correctie van één afstandsstap lager mogelijk. Dit betekent dat in gemengd gebied een afstand van 10 m kan worden aangehouden tussen een categorie 2 bedrijf en in het gemengde gebied gelegen woningen. In de VNG-brochure is vermeld dat een rustige woonwijk een woonwijk is waar afgezien van wijkgebonden voorzieningen vrijwel geen andere functies voorkomen. Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Nu ter plaatse naast woningen ook kleine bedrijven voorkomen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van "gemengd gebied" als bedoeld in de VNG-brochure, zodat de aanbevolen afstand van 30 m kan worden verlaagd tot 10 m.

2.6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval de afstand van 6,5 m tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevel van de dichtstbijzijnde woning aanvaardbaar is. Daartoe heeft het college onder meer verwezen naar het rapport "Meetrapport Woningbouwplan Ambachtsgaarde te Zevenhoven" van M+P - raadgevende ingenieurs van 5 mei 2010. Voor zover [appellant] betoogt dat dit rapport niet direct na het gereedkomen ervan aan hem is toegezonden, kan dit niet tot het door hem gewenste resultaat leiden, nu niet is gebleken dat hij onvoldoende kennis van de inhoud daarvan heeft kunnen nemen dan wel niet genoegzaam daarop heeft kunnen reageren. In het rapport wordt geconcludeerd dat aan de standaardgeluidvoorwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en voor het maximaal optredende geluidniveau kan worden voldaan. Het college heeft erop gewezen dat in het rapport bij de berekening van de geluidbelasting op de voorgevel van de meest nabijgelegen woning het geluidafschermend effect van de vrachtwagen, die tussen de meeneemheftruck en de woningen staat, niet is meegenomen, zodat ook indien, zoals [appellant] heeft gesteld, aan beide zijden van de vrachtwagen zou worden gelost, geen aanleiding wordt gezien om aan te nemen dat niet aan voormelde standaardgeluidvoorwaarden kan worden voldaan.

Gelet op het vorenstaande heeft het college de te verwachten geluidbelasting door het bedrijf van [appellant] op de in het wijzigingsplan voorziene woningen in redelijkheid niet onaanvaardbaar behoeven te achten. Het college heeft geen grond hoeven zien om aan te nemen dat de realisering van de voorziene woningen een zodanige invloed zal hebben op de bedrijfsvoering van [appellant] dat het wijzigingsplan niet had mogen worden vastgesteld.

2.7. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het pand van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.8. [appellant] heeft ten slotte verwezen naar de inhoud van de zienswijze. In het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd, anders dan hiervoor besproken, waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2010

444.