Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM9328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
200906409/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oordeel artikel 31 lid Vw en positieve overtuigingskracht ten onrechte gebaseerd op dezelfde documenten

Uit het besluit van 29 oktober 2008, hiervoor onder 2.2. weergegeven, volgt dat de staatssecretaris zijn conclusie dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert louter heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de vreemdeling vals bevonden documenten omtrent zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd.

Uit voormelde uitspraken en uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2005 (in zaak nr. 200408567/1; JV 2005/191) volgt evenwel dat de staatssecretaris bij de beoordeling of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat, niet opnieuw en uitsluitend een in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid, zoals in dit geval het overleggen van valse documenten en het door de vreemdeling volhouden dat deze echt zijn, kon tegenwerpen.

De staatssecretaris had dienen te beoordelen of van het asielrelaas, met name voor wat betreft de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit en herkomst, positieve overtuigingskracht uitgaat om het geloofwaardig te achten. De vreemdeling klaagt derhalve terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het standpunt van de staatssecretaris dat zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert in zoverre op een ontoereikende grondslag is gebaseerd.

Grief 1 slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906409/1/V3.

Datum uitspraak: 21 juni 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, (hierna: de rechtbank) van 28 juli 2009 in zaak nr. 08/39423 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.1.1. Bij de beoordeling door de staatssecretaris van het asielrelaas gaat het meestal niet om de vraag of en in hoeverre de verklaringen over de feiten en omstandigheden die een vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. Een vreemdeling is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven. Om een vreemdeling, waar dat probleem zich voordoet, tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 - in welke bepaling artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 nader is uitgewerkt - dat de verklaringen van een vreemdeling en de daarin gestelde feiten en omstandigheden geloofwaardig worden geacht, indien die vreemdeling aan de in eerstgenoemde bepaling vermelde voorwaarden heeft voldaan. Aan die voorwaarden zal in de regel niet worden voldaan, indien sprake is van een omstandigheid als vermeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000. In dat geval zal volgens paragraaf C14/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten en omstandigheden alsnog geloofwaardig te achten.

Volgens paragraaf C4/3.4 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, wordt, indien een vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden, deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag en kan dit tot afwijzing leiden. Indien een asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

Volgens paragraaf C4/3.6.1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, wordt, indien een vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en hij niet aannemelijk maakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan. Indien een asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

2.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 29 oktober 2008 en het daarin ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, moet worden afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Vw 2000.

De staatssecretaris heeft aan de vreemdeling tegengeworpen dat uit onderzoek door de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat de door de vreemdeling overgelegde identiteitskaart en nationaliteitsverklaring valse exemplaren betreffen en de vreemdeling onjuiste verklaringen heeft afgelegd aangaande de door hem overgelegde documenten, zodat geen geloof kan wordt gehecht aan zijn verklaringen omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Evenmin heeft de vreemdeling andere documenten die zijn identiteit en nationaliteit alsnog aannemelijk maken overgelegd. Aldus kan geen geloof worden gehecht aan zijn verklaringen betreffende de door hem ondervonden problemen die zich hebben voorgedaan in het door hem opgegeven woongebied en aan de feiten die door de vreemdeling naar voren zijn gebracht. Gelet hierop, ontbeert het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht, aldus de staatssecretaris.

2.3. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, zakelijk weergegeven, dat nu de vreemdeling een valse identiteitkaart en nationaliteitsverklaring heeft overgelegd, de staatssecretaris heeft kunnen twijfelen aan diens gestelde identiteit en nationaliteit en zich op het standpunt kunnen stellen dat een zodanige twijfel aan de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling is gerezen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Daartoe voert de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2002 in zaak nr. 200202959/1 (JV 2002/314), aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de staatssecretaris uitsluitend op basis van de overgelegde documenten, die geen onderdeel van het asielrelaas vormen, heeft geconcludeerd dat dat relaas positieve overtuigingskracht ontbeert en aldus de cirkelredenering van de staatssecretaris in stand laat.

2.3.1. Zoals de Afdeling in de door de vreemdeling aangehaalde uitspraak heeft overwogen volgt uit de formulering van de aanhef van artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, alsmede uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling dat de hierin genoemde omstandigheden op zichzelf niet voldoende zijn om te komen tot een afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 augustus 2006 in zaak nr. 200605347/1, JV 2006, 402) moet, indien het ontbreken van documenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, aan de desbetreffende vreemdeling is toe te rekenen, volgens het gevoerde beleid, van het asielrelaas, daaronder begrepen de verklaringen met betrekking tot zijn herkomst, identiteit en nationaliteit, voor zover dat niet met enig bewijsmateriaal is gestaafd, positieve overtuigingskracht uitgaan om het geloofwaardig te kunnen achten. Indien de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat die verklaringen wegens het ontbreken daarvan ongeloofwaardig zijn, kan verdere bespreking van het asielrelaas, daaronder begrepen de vluchtmotieven van de desbetreffende vreemdeling, achterwege blijven, omdat de vluchtmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van die vreemdeling.

2.3.2. Uit het besluit van 29 oktober 2008, hiervoor onder 2.2. weergegeven, volgt dat de staatssecretaris zijn conclusie dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert louter heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de vreemdeling vals bevonden documenten omtrent zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd.

Uit voormelde uitspraken en uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2005 (in zaak nr. 200408567/1; JV 2005/191) volgt evenwel dat de staatssecretaris bij de beoordeling of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat, niet opnieuw en uitsluitend een in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid, zoals in dit geval het overleggen van valse documenten en het door de vreemdeling volhouden dat deze echt zijn, kon tegenwerpen.

De staatssecretaris had dienen te beoordelen of van het asielrelaas, met name voor wat betreft de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit en herkomst, positieve overtuigingskracht uitgaat om het geloofwaardig te achten. De vreemdeling klaagt derhalve terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het standpunt van de staatssecretaris dat zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert in zoverre op een ontoereikende grondslag is gebaseerd.

Grief 1 slaagt.

2.4. Grief 2, gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep, slaagt evenzeer, nu die beslissing is gegrond op het hiervoor onjuist bevonden oordeel van de rechtbank.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.6. De staatssecretaris, thans de minister van Justitie, dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 28 juli 2009 in zaak nr. 08/39423;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 29 oktober 2008, kenmerk 0805.26.1070;

V. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2010

347-639 .

Verzonden: 21 juni 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser