Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200909935/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2008 heeft de minister het verzoek van [wederpartij] om zijn geslachtsnaam te wijzigen van [naam A] in [naam B] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909935/1/H3.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 november 2009 in zaak nr. 09/1737 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2008 heeft de minister het verzoek van [wederpartij] om zijn geslachtsnaam te wijzigen van [naam A] in [naam B] afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2009 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 maart 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 december 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de minister het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft een reactie ingediend op dat besluit.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.I. Hoogenraad, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. B. Vreke, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge het zesde lid deelt de minister, indien hij voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede, indien het verzoek op de geslachtsnaam van een minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en degene aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht, rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het voornemen geldt als een beschikking.

Ingevolge artikel 6 van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) kan een verzoek tot geslachtsnaamswijziging dat niet op een van de voorgaande artikelen kan worden gebaseerd, worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden.

2.2. De minister hanteert bij de beoordeling van aanvragen om geslachtsnaamswijziging waarin artikel 6 van het Besluit is ingeroepen, de vaste gedragslijn die is neergelegd in de "Bijsluiter bij aanvragen om geslachtsnaamswijziging" (hierna: de Bijsluiter). In de Bijsluiter wordt de ernstige schade van geestelijke en/of lichamelijke gezondheid aangeduid met het begrip ‘psychische hinder’. Die hinder moet blijken uit een door de aanvrager overgelegd rapport van een deskundige.

Bij de beoordeling van de aanvraag gelden volgens de Bijsluiter de volgende uitgangspunten:

1. Het rapport moet zijn opgesteld door een onafhankelijke deskundige;

2. Uit het rapport moet blijken dat de aanvrager de geslachtsnaamswijziging daadwerkelijk wil;

3. Er moet een relatie bestaan tussen de psychische hinder van de aanvrager en (I) het dragen van de bestaande geslachtsnaam dan wel (II) het niet dragen van de door de aanvrager gewenste geslachtsnaam.

Ten aanzien van de relatie tussen de psychische hinder en de huidige of gewenste geslachtsnaam moet de onafhankelijke deskundige volgens de Bijsluiter de volgende vragen in ieder geval beantwoorden:

a. Welke blijken van psychische ziekte vindt u of welke diagnose kunt u stellen?

b. Wat is het verband tussen deze blijken van ziekte en het dragen van de bestaande dan wel het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam?

c. Zo u geen psychische ziekte aanwezig acht, op welke andere wijze blijkt er psychische hinder op grond van het dragen van de bestaande geslachtsnaam dan wel het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam?

d. Is deze hinder van een dusdanige aard dat er daardoor gevaar optreedt voor de gezondheidstoestand van de aanvrager?

Volgens de Bijsluiter beoordeelt de medisch adviseur bij het Ministerie van Justitie (hierna: medisch adviseur) het rapport van de onafhankelijke deskundige en geeft hij een gemotiveerd advies aan de minister met betrekking tot de aanwezigheid van psychische hinder conform artikel 6 van het Besluit. Zonodig vraagt de medisch adviseur het advies van een psychiater werkzaam bij de Forensische Psychiatrische Dienst van het Ministerie van Justitie.

De Afdeling is van oordeel dat de Bijsluiter geen onredelijke uitleg geeft aan artikel 6 van het Besluit.

2.3. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft [wederpartij] overgelegd een verklaring van de huisarts M. Farahani van 27 maart 2006, een verklaring van de psycholoog/psychotherapeut drs. A.R. Erdogan van 14 april 2006, een verklaring van de klinisch psycholoog/psychotherapeut prof. dr. J.L.L. Derksen van 6 september 2006 en een nader rapport van Derksen van 19 december 2007.

In het laatstgenoemde rapport wordt uiteengezet dat [wederpartij] afkomstig is uit Iran, waar zijn ouders betrokken waren bij de activiteiten van een verboden linkse partij. Uit angst dat hun beide kinderen iets zou overkomen, hebben zij hun geslachtsnaam ter bescherming gewijzigd van [naam B] in [naam A]. De vader is gearresteerd en geëxecuteerd, waarna de familie is ondergedoken om arrestatie van de moeder te voorkomen. De grootvader van [wederpartij] aan vaderskant is ook gearresteerd en nadien overleden aan hartfalen. De moeder is vervolgens met haar kinderen naar Nederland gevlucht. Het gezin heeft zes maanden verbleven in het Opvang- en Onderzoekscentrum te Zwolle en vervolgens in het Asielzoekerscentrum te Groesbeek. Uit het nader rapport blijkt dat Derksen bij [wederpartij] een met deze gebeurtenissen verband houdende identiteitsstoornis heeft vastgesteld, alsmede psychosociale en omgevingsproblemen die zijn terug te voeren tot het overlijden van de vader, de ontwrichting van de familie door de vlucht uit Iran en het langdurige verblijf in voornoemde centra, waar zich enkele schokkende incidenten hebben voorgedaan. De vlucht in combinatie met het niet dragen van de geslachtsnaam van de vader en de rest van de familie leidt tot het gemis van het gevoel ergens bij te horen. Het dragen van de geslachtsnaam van de vader zou [wederpartij] meer besef geven van zijn afkomst en herkomst en zou zorg dragen voor een groter gevoel van inbedding in de familie en daardoor voor een krachtiger identiteit. Dit kan uitmonden in een groter gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen en een betere psychologische aanpassing. Volgens Derksen levert het niet dragen van de geslachtsnaam van zijn vader bij [wederpartij] een gevoel van oneerlijkheid op en hij voelt hierbij veel frustratie. Derksen concludeert dat de psychische hinder van dusdanige aard is dat er gevaar op kan treden voor het welzijn van [wederpartij]. Zijn stressgerelateerde klachten, remming van agressie en zijn gebrekkige vermogen om te gaan met zijn problemen zouden bij afwijzing van het verzoek kunnen resulteren in somatische klachten, het nemen van risico's en het vertonen van acting-out gedrag.

2.4. Medisch adviseur Muilwijk heeft het nader rapport van Derksen beoordeeld aan de hand van de vier in de Bijsluiter vermelde vragen. Muilwijk heeft de minister geadviseerd het verzoek niet af te handelen overeenkomstig artikel 6 van het Besluit. Hiertoe heeft hij in aanmerking genomen dat de in het nader rapport van Derksen beschreven psychische hinder wordt gekoppeld aan het niet dragen van de geslachtsnaam, zonder dat dit op overtuigende wijze wordt aangetoond. Volgens Muilwijk gaat men in op verwachtingen. Voorts volgt uit het nader rapport van Derksen dat een scala aan andere gebeurtenissen, losstaand van het dragen van de geslachtsnaam, bijdragen aan de psychische hinder, aldus Muilwijk.

De minister heeft aanleiding gezien een second opinion te vragen. In zijn second opinion heeft psychiatrisch adviseur De Man geconcludeerd dat van een samenhang tussen het dragen van de niet meer gewenste geslachtsnaam en het hebben van psychische hinder niet is gebleken. Hiertoe heeft hij in aanmerking genomen dat in het nader rapport Derksen de uitspraak dat de vermeend onjuiste geslachtsnaam de problematiek veroorzaakt, dan wel voldoende verklaart, niet wordt gevonden. Wel blijkt uit dat nader rapport dat Derksen een positieve invloed op zijn welzijn en psychische gezondheid verwacht wanneer het verzoek kan worden ingewilligd, aldus De Man.

2.5. De minister heeft op basis van het advies van De Man het verzoek om geslachtsnaamswijziging afgewezen, omdat niet voldoende is komen vast te staan dat een samenhang bestaat tussen het dragen van de niet meer gewenste geslachtsnaam en de gestelde psychische hinder.

2.6. De rechtbank heeft overwogen dat uit de second opinion van Muilwijk (bedoeld zal zijn: De Man) onvoldoende blijkt welk onderzoek is verricht. Verder wordt daarin het nader rapport van Derksen in slechts enkele woorden ontkracht zonder dat daaraan een voldoende duidelijke en verifieerbare motivering ten grondslag ligt. Voorts blijkt onvoldoende of het advies is gebaseerd op een grondige dossierstudie en het opvragen van informatie bij behandelaars. Bovendien heeft Muilwijk (lees: De Man) [wederpartij] niet zelf in persoon onderzocht. Gezien de enkele ontkenning door de medisch adviseur van hetgeen in het door [wederpartij] overgelegde nader rapport van Derksen is geconcludeerd had de minister zijn besluit niet mogen baseren op de uitgebrachte adviezen. De rechtbank concludeert dat het besluit van 13 maart 2009 derhalve een voldoende zorgvuldige voorbereiding en motivering ontbeert.

2.7. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet had mogen baseren op de door de medisch adviseur uitgebrachte adviezen en dat het besluit van 13 maart 2009 derhalve een voldoende zorgvuldige voorbereiding en motivering ontbeert. Daartoe voert de minister aan dat volgens de Bijsluiter de medisch adviseur alleen het rapport van de onafhankelijke deskundige beoordeelt. Het is niet de bedoeling dat de medisch adviseur de verzoeker persoonlijk onderzoekt of informatie opvraagt bij behandelaars.

2.7.1. Niet in geschil is dat Derksen een onafhankelijke deskundige is als bedoeld in de Bijsluiter. De minister betoogt met recht dat volgens de Bijsluiter de medisch adviseur en de voor een second opinion ingeschakelde psychiatrische adviseur verzoeker niet persoonlijk behoeven te onderzoeken dan wel informatie bij zijn behandelaars behoeven op te vragen. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van het Besluit en de ter nadere invulling van die bepaling gehanteerde Bijsluiter is het aan verzoeker met een rapport van een onafhankelijke deskundige aan te tonen dat een relatie bestaat tussen zijn psychische hinder en het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam. De medisch adviseur heeft tot taak het door verzoeker overgelegde rapport te beoordelen en de minister gemotiveerd te adviseren of daaruit de aanwezigheid van psychische hinder als bedoeld in artikel 6 van het Besluit blijkt. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de minister zich niet op de rapporten van de medisch en psychiatrisch adviseur heeft mogen baseren omdat deze [wederpartij] niet persoonlijk hebben onderzocht noch informatie bij zijn behandelaars hebben opgevraagd. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen en overweegt daartoe het volgende.

2.7.2. Medisch adviseur Muilwijk heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat in het nader rapport van Derksen de relatie tussen de psychische hinder en het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam niet op overtuigende wijze is aangetoond. Aan de inhoud van dat advies komt dan ook geen betekenis toe.

De conclusie van psychiatrisch adviseur De Man dat van een samenhang tussen het dragen van de niet meer gewenste geslachtsnaam en het hebben van psychische hinder niet is gebleken wordt niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen. Uit het rapport van De Man blijkt dat hij de bevindingen van Derksen op de vragen 1 en 3 zoals vermeld in de Bijsluiter, zijnde de diagnose en de aan de naamproblematiek gerelateerde psychische symptomen, heeft onderschreven. Ten aanzien van vragen 2 en 4 in de Bijsluiter over het verband tussen de ziekte en het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam heeft De Man geconcludeerd dat in het nader rapport van Derksen niet blijkt dat de onjuiste geslachtsnaam de problematiek veroorzaakt of verergert. Dit berust echter op een onjuiste lezing van het nader rapport van Derksen. De klachten kunnen bij afwijzing van het verzoek volgens Derksen resulteren in somatische klachten.

Niet in geschil is dat bij [wederpartij] sprake is van ernstige schade, nu het hoger beroep van de minister zich niet richt tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank dit heeft overwogen.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat Derksen slechts kan aangeven te verwachten dat de geslachtsnaamswijziging zal bijdragen aan de vermindering van psychische schade en dat niet met zekerheid is vast te stellen dat een vermindering van de psychische schade zal optreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat die zekerheid niet wordt vereist en dat het ontbreken ervan niet kan leiden tot afwijzing van het verzoek. Het hoger beroep richt zich evenmin tegen dit oordeel van de rechtbank.

Bovendien blijkt uit het nader rapport van Derksen dat er een relatie bestaat tussen de psychische hinder en het niet dragen van de oorspronkelijke geslachtsnaam van de vader en dat door afwijzen van het verzoek de klachten kunnen resulteren in somatische klachten. Gelet op het feit dat aan het advies van de medische adviseur geen betekenis toekomt en de conclusie in het advies van de psychiatrisch adviseur niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de minister zich niet op de inhoud van de adviezen van die adviseurs heeft mogen baseren. De bevindingen uit het nader rapport van Derksen zijn derhalve niet weerlegd, zodat de minister van de inhoud van het rapport van de onafhankelijke deskundige had dienen uit te gaan. Gelet daarop is aan artikel 6 van het Besluit als uitgewerkt in de Bijsluiter voldaan.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.9. Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de minister, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. De minister heeft besloten het bezwaar wederom ongegrond te verklaren en het verzoek om geslachtsnaamswijziging af te wijzen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.10. Het beroep tegen het besluit van 25 februari 2010 is, gelet op hetgeen hierover onder 2.7.2 is overwogen, gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de minister op te dragen een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van het verzoek van [wederpartij] om zijn geslachtsnaam te wijzigen van [naam A] in [naam B]. Het besluit van 3 juli 2008 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.11. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Gezien de samenhang van het onderhavige hoger beroep met het hoger beroep van de zus van [wederpartij] in zaak nr. 200908644/1/H3 dat op het zelfde tijdstip ter zitting is behandeld ziet de Afdeling aanleiding slechts proceskosten toe te kennen voor de reactie op het besluit van 25 februari 2010.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Justitie van 25 februari 2010 gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. herroept het besluit van 3 juli 2008, kenmerk NM 054/2616;

V. draagt de minister van Justitie op om een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van het verzoek van [wederpartij] om zijn geslachtsnaam te wijzigen van [naam A] in [naam B];

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdenzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

307-637.