Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200908644/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar geslachtsnaam te wijzigen van [appellante] in [naam] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908644/1/H3.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 september 2009 in zaak nr. 09/2999 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar geslachtsnaam te wijzigen van [appellante] in [naam] afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2009 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 december 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. B. Vreke, advocaat te Nijmegen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.I. Hoogenraad, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge het zesde lid deelt de minister, indien hij voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede, indien het verzoek op de geslachtsnaam van een minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en degene aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht, rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het voornemen geldt als een beschikking.

Ingevolge artikel 6 van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) kan een verzoek tot geslachtsnaamswijziging dat niet op een van de voorgaande artikelen kan worden gebaseerd, worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden.

2.2. De minister hanteert bij de beoordeling van aanvragen om geslachtsnaamswijziging waarin artikel 6 van het Besluit is ingeroepen, de vaste gedragslijn die is neergelegd in de "Bijsluiter bij aanvragen om geslachtsnaamswijziging" (hierna: de Bijsluiter). In de Bijsluiter wordt de ernstige schade van geestelijke en/of lichamelijke gezondheid aangeduid met het begrip ‘psychische hinder’. Die hinder moet blijken uit een door de aanvrager overgelegd rapport van een deskundige.

Bij de beoordeling van de aanvraag gelden volgens de Bijsluiter de volgende uitgangspunten:

1. Het rapport moet zijn opgesteld door een onafhankelijke deskundige;

2. Uit het rapport moet blijken dat de aanvrager de geslachtsnaamswijziging daadwerkelijk wil;

3. Er moet een relatie bestaan tussen de psychische hinder van de aanvrager en (I) het dragen van de bestaande geslachtsnaam dan wel (II) het niet dragen van de door de aanvrager gewenste geslachtsnaam.

Ten aanzien van de relatie tussen de psychische hinder en de huidige of gewenste geslachtsnaam moet de onafhankelijke deskundige volgens de Bijsluiter de volgende vragen in ieder geval beantwoorden:

a. Welke blijken van psychische ziekte vindt u of welke diagnose kunt u stellen?

b. Wat is het verband tussen deze blijken van ziekte en het dragen van de bestaande dan wel het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam?

c. Zo u geen psychische ziekte aanwezig acht, op welke andere wijze blijkt er psychische hinder op grond van het dragen van de bestaande geslachtsnaam dan wel het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam?

d. Is deze hinder van een dusdanige aard dat er daardoor gevaar optreedt voor de gezondheidstoestand van de aanvrager?

Volgens de Bijsluiter beoordeelt de medisch adviseur bij het Ministerie van Justitie (hierna: medisch adviseur) het rapport van de onafhankelijke deskundige en geeft hij een gemotiveerd advies aan de minister met betrekking tot de aanwezigheid van psychische hinder conform artikel 6 van het Besluit. Zonodig vraagt de medisch adviseur het advies van een psychiater werkzaam bij de Forensische Psychiatrische Dienst van het Ministerie van Justitie.

De Afdeling is van oordeel dat de Bijsluiter geen onredelijke uitleg geeft aan artikel 6 van het Besluit.

2.3. Ter ondersteuning van haar verzoek heeft [appellante] overgelegd een verklaring van de huisarts M. Farahani van 27 maart 2006, een verklaring van de psycholoog/psychotherapeut drs. A.R. Erdogan van 14 april 2006, een verklaring van de klinisch psycholoog/psychotherapeut prof. dr. J.L.L. Derksen van 6 september 2006 en een nader rapport van Derksen van 19 december 2007.

In het laatstgenoemde rapport wordt uiteengezet dat [appellante] afkomstig is uit Iran, waar haar ouders betrokken waren bij de activiteiten van een verboden linkse partij. Uit angst dat hun beide kinderen iets zou overkomen, hebben zij hun geslachtsnaam ter bescherming gewijzigd van [naam] in [appellante]. De vader is gearresteerd en geëxecuteerd, waarna de familie is ondergedoken om arrestatie van de moeder te voorkomen. De grootvader van [appellante] aan vaderskant is ook gearresteerd en nadien overleden aan hartfalen. De moeder is vervolgens met haar kinderen naar Nederland gevlucht. Het gezin heeft zes maanden verbleven in het Opvang- en Onderzoekscentrum te Zwolle en vervolgens in het Asielzoekerscentrum te Groesbeek. Uit het nader rapport blijkt dat Derksen bij [appellante] een met deze gebeurtenissen verband houdende aanpassingsstoornis met depressieve stemming (chronisch) en een identiteitsprobleem heeft vastgesteld, alsmede psychosociale en omgevingsproblemen die zijn terug te voeren tot het overlijden van de vader, de ontwrichting van de familie door de vlucht uit Iran en het langdurige verblijf in voornoemde centra, waar zich enkele schokkende incidenten hebben voorgedaan. De vlucht in combinatie met het niet dragen van de geslachtsnaam van de vader en de rest van de familie leidt tot het gemis van het gevoel ergens bij te horen. Door het dragen van de geslachtsnaam van de vader zou [appellante] haar verleden een plek kunnen geven en een nieuwe start kunnen maken. Door het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam ervaart [appellante] veel spanning en sterke emoties. Het ontbreken van de door haar gewenste geslachtsnaam laat haar zoekende naar haar eigen identiteit. Het aannemen van de gewenste geslachtsnaam biedt haar de kans een frisse start te maken, ze verwacht dat ze zich een completer mens zal voelen, aldus Derksen. Hij concludeert dat de psychische hinder van dusdanige aard is dat daardoor gevaar optreedt voor de gezondheidstoestand van [appellante]. Gezien haar verleden en het vermoeden van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming is het mogelijk dat bij afwijzing van het verzoek deze klachten zullen verergeren, wat zou kunnen leiden tot een depressie en een versterking van de sociale vervreemding.

2.4. Medisch adviseur Muilwijk heeft het nader rapport van Derksen beoordeeld aan de hand van de vier in de Bijsluiter vermelde vragen. Muilwijk heeft de minister geadviseerd het verzoek niet af te handelen overeenkomstig artikel 6 van het Besluit. Hiertoe heeft hij in aanmerking genomen dat volgens hem de in het nader rapport van Derksen beschreven psychische hinder wordt gekoppeld aan het niet dragen van de geslachtsnaam, zonder dat dit op overtuigende wijze wordt aangetoond. Volgens Muilwijk gaat men in op verwachtingen. Voorts volgt uit het nader rapport van Derksen dat een scala aan andere gebeurtenissen, losstaand van het dragen van de geslachtsnaam, bijdragen aan de psychische hinder, aldus Muilwijk.

De minister heeft aanleiding gezien een second opinion te vragen. In zijn second opinion heeft psychiatrisch adviseur De Man geconcludeerd dat van een samenhang tussen het dragen van de niet meer gewenste geslachtsnaam en het hebben van psychische hinder niet is gebleken. Hiertoe heeft hij in aanmerking genomen dat in het nader rapport van Derksen de uitspraak dat de vermeend onjuiste geslachtsnaam de problematiek veroorzaakt, dan wel voldoende verklaart, niet wordt gevonden. Wel blijkt uit dat nader rapport dat Derksen een positieve invloed op haar welzijn verwacht, aldus De Man.

2.5. De minister heeft op basis van het advies van De Man het verzoek om geslachtsnaamswijziging afgewezen, omdat niet voldoende is komen vast te staan dat een samenhang bestaat tussen het dragen van de niet meer gewenste geslachtsnaam en de gestelde psychische hinder.

2.6. De rechtbank heeft overwogen dat uit het nader rapport van Derksen blijkt dat een aantal omstandigheden zoals vlucht, aanpassingsproblemen en (beweerde) discriminatie zorgdraagt voor lijden. De geslachtsnaamswijziging wordt eerder gezien als compensatie voor dat lijden. De rechtbank is van oordeel dat het nader rapport van Derksen vermoedens bevat en weinig stellig is over de ernst van de gezondheidsschade en de relatie tussen deze schade en het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging. Geenszins wordt aangetoond dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de gezondheid van [appellante] in ernstige mate zou schaden, aldus de rechtbank.

2.7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit het nader rapport van Derksen duidelijk blijkt dat zij lijdt onder haar huidige geslachtsnaam, wat de gevolgen zullen zijn bij het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging en dat deze kan bijdragen aan verlichting of oplossing van haar problemen. Zij voert aan dat Derksen haar psychische klachten en de relatie van die klachten met het niet kunnen dragen van de door haar gewenste geslachtsnaam voldoende duidelijk in zijn nader rapport heeft omschreven. Het met zekerheid vaststaan dat de psychische hinder vermindert als gevolg van het toekennen van de gewenste geslachtsnaam is geen vereiste volgens artikel 6 van het Besluit, aldus [appellante].

Zij betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het nader rapport van Derksen door medisch adviseur Muilwijk zonder een nadere motivering terzijde is geschoven. Uit de second opinion van psychiatrisch adviseur De Man blijkt niet waarop de conclusie is gebaseerd dat van een samenhang tussen het dragen van de geslachtsnaam en het ondervinden van psychische hinder niet is gebleken. Dit geldt te meer nu deze adviseurs niet met haar hebben gesproken, aldus [appellante].

2.7.1. Niet in geschil is dat Derksen een onafhankelijke deskundige is als bedoeld in de Bijsluiter. Anders dan [appellante] betoogt behoeven de medisch adviseur en de voor een second opinion ingeschakelde psychiatrisch adviseur verzoeker niet zelf te horen dan wel te onderzoeken alvorens de minister te adviseren. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van het Besluit en de ter nadere invulling van die bepaling gehanteerde Bijsluiter is het aan verzoeker met een rapport van een onafhankelijke deskundige aan te tonen dat een relatie bestaat tussen zijn psychische hinder en het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam. De medisch adviseur heeft tot taak het door verzoeker overgelegde rapport te beoordelen en de minister gemotiveerd te adviseren of daaruit de aanwezigheid van psychische hinder als bedoeld in artikel 6 van het Besluit blijkt.

2.7.2. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat [appellante] met het door haar overgelegde nader rapport van Derksen geenszins heeft aangetoond dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging haar lichamelijke of geestelijke gezondheid in ernstige mate zou schaden. Daartoe wordt het volgende in aanmerking genomen.

Derksen heeft in zijn nader rapport de diagnose aanpassingsstoornis met chronische depressieve stemming, identiteitsproblemen en psychosociale en omgevingsproblemen gesteld. Voorts heeft Derksen geconcludeerd dat een verband bestaat tussen de klachten en het niet dragen van de geslachtsnaam van haar vader. Derksen concludeert dat de hinder van dusdanige aard is dat gevaar optreedt voor de gezondheidstoestand van [appellante]. Gelet op haar verleden en het vermoeden van een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming is het mogelijk dat bij afwijzing van het verzoek deze klachten zullen verergeren, wat zou kunnen leiden tot een depressie.

Uit het nader rapport blijkt dan ook dat een relatie bestaat tussen de in het rapport genoemde psychische hinder en het niet dragen van de geslachtsnaam en dat de klachten mogelijk verergeren indien het verzoek niet wordt gehonoreerd.

2.7.3. Medisch adviseur Muilwijk heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat in het nader rapport van Derksen de relatie tussen de psychische hinder en het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam niet op overtuigende wijze is aangetoond. Aan de inhoud van dat advies komt dan ook geen betekenis toe.

De conclusie van psychiatrisch adviseur De Man dat van een samenhang tussen het dragen van de niet meer gewenste geslachtsnaam en het hebben van psychische hinder niet is gebleken wordt niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen. Uit het nader rapport van De Man blijkt dat hij de bevindingen van Derksen op de vragen 1, 3 en 4 zoals vermeld in de Bijsluiter, zijnde de diagnose, de aan de naamproblematiek gerelateerde psychische symptomen en het risico van een depressie en verergering van de psychische hinder bij afwijzing van het verzoek, heeft onderschreven. Ten aanzien van vraag 2 in de Bijsluiter over het verband tussen de ziekte en het niet dragen van de gewenste geslachtsnaam heeft De Man geconcludeerd dat uit het nader rapport Derksen niet blijkt dat de onjuiste achternaam de problematiek veroorzaakt. Dit berust echter op een onjuiste lezing van het nader rapport Derksen aangezien daaruit blijkt dat het niet dragen van de geslachtsnaam spanning en sterke emoties veroorzaakt.

Uit het nader rapport van Derksen blijkt dat een relatie bestaat tussen de psychische hinder en de geslachtsnaam en dat door afwijzen van het verzoek de klachten zullen verergeren wat kan leiden tot een depressie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2005 in zaak nr. 200403744/1) brengt het bepaalde in artikel 6 van het Besluit niet mee dat de gezondheidsschade zich reeds moet hebben gerealiseerd. Het voorkomen van in redelijkheid te verwachten schade kan evenzeer in de beoordeling worden betrokken. Gelet op het feit dat aan het advies van de medische adviseur geen betekenis toekomt en de conclusie in het advies van de psychiatrisch adviseur niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen, zijn de bevindingen in het nader rapport van Derksen door de medische en psychiatrisch adviseur niet weerlegd. Gelet daarop had de minister van de inhoud van het rapport van de onafhankelijke deskundige dienen uit te gaan en is daarmee aan artikel 6 van het Besluit als uitgewerkt in de Bijsluiter voldaan. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.1 tot en met 2.7.3 is overwogen, het inleidende beroep tegen het besluit van 13 maart 2009 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 22 januari 2008 zal worden herroepen. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de minister op te dragen een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van het verzoek van [appellante] om haar geslachtsnaam te wijzigen van [appellante] in [naam]. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 september 2009 in zaak nr. 09/2999;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 13 maart 2009, kenmerk NM 054/2606;

V. herroept het besluit van 22 januari 2008, kenmerk NM 054/2606;

VI. draagt de minister van Justitie op een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van het verzoek van [appellante] om haar geslachtsnaam te wijzigen van [appellante] in [naam];

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Justitie aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

307-637.