Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200904990/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college de aan [appellant sub 2] toegekende verstrekkingen volgens de Regeling opvang asielzoekers (hierna: de Roa) met ingang van 1 maart 2007 beëindigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904990/1/V6.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college),

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) van 28 mei 2009 in zaak nr. 08/1079 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college de aan [appellant sub 2] toegekende verstrekkingen volgens de Regeling opvang asielzoekers (hierna: de Roa) met ingang van 1 maart 2007 beëindigd.

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het college het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op 18 juni 2009, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 22 oktober 2008 gedeeltelijk vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

[appellant sub 2] en het college hebben onderscheidenlijk een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2010, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa) belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, kan de minister van Justitie (hierna: de minister) het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (hierna: de Rvb) is het COa belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden gedurende de daarbij aangegeven termijn voor een samen met tenminste één ouder of verzorger hier te lande verblijvende minderjarige vreemdeling, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in onderdeel c, die geen aanspraak heeft op verstrekkingen op grond van enig ander wettelijk voorschrift en die blijkens een schriftelijke verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COa rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), vanaf het moment dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vw 2000, is verkregen tot het moment waarop dit rechtmatig verblijf is geëindigd.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, houdt het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, in het verstrekken van een financiële toelage.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, wordt de toelage uitbetaald aan de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger of bloedverwant in de eerste of tweede graad, of aan een door één van hen, blijkens een schriftelijke verklaring, aangewezen persoon of instantie.

Volgens artikel 1, aanhef en onder c, van de Roa wordt voor de toepassing van de Roa onder asielzoeker verstaan een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend.

Volgens artikel 1, aanhef en onder d, wordt voor de toepassing van de Roa onder kind verstaan een persoon jonger dan 21 jaar, die niet samenwoont met een (huwelijks)partner en die een (stief)kind is van de asielzoeker dan wel met de asielzoeker in gezinsverband leeft en te zijnen laste komt.

Volgens artikel 2 heeft de Roa betrekking op een asielzoeker die niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Een asielzoeker wordt als zodanig aangemerkt indien hij in aanmerking zou komen voor een periodieke normuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB) wanneer hem niet de verstrekkingen, bedoeld in artikel 15, tweede lid, zouden worden geboden.

Volgens artikel 13, tweede lid (oud), worden […] de volgende personen als gezinslid aangemerkt: […]

c. een kind van de asielzoeker, indien zij met de asielzoeker in hetzelfde centrum verblijven.

Volgens artikel 17, eerste lid, voor zover thans van belang, houdt het verstrekken van een toelage in het bij vooruitbetaling aan de asielzoeker beschikbaar stellen van een basisbedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met een toelage voor ieder in het kader van deze regeling opgevangen kind, jonger dan 18 jaar, van de asielzoeker, mits voor dat kind niet aan een andere asielzoeker een toeslag wordt verstrekt én voor dat kind geen uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) wordt verleend, terwijl een zodanige uitkering wel is aangevraagd.

Volgens artikel 22, eerste lid, voor zover thans van belang, brengt de gemeente, indien een asielzoeker aan wie door de gemeente opvang wordt geboden in enige maand inkomsten heeft, anders dan een uitkering op grond van de AKW of de in artikel 17 bedoelde toelage, aan die asielzoeker een tegemoetkoming in rekening in de kosten van opvang van de betrokken asielzoeker en zijn gezinsleden.

Volgens het tweede lid worden voor de toepassing van het eerste lid als gezinslid aangemerkt de personen die behoren tot één van de in artikel 13, tweede lid, omschreven categorieën, indien zij met de betrokken asielzoeker in gezinsverband samenleven en hun eveneens door de gemeente opvang wordt geboden.

2.2. In de toelichting bij de Roa (Strct. 1987, 75, blz. 7 en 8) is vermeld dat indien de inkomsten van een asielzoeker zodanig zijn dat hij op grond van artikel 2, tweede lid, (thans artikel 2) wordt aangemerkt als een asielzoeker die beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, de Roa volgens dat artikel niet langer op die asielzoeker betrekking heeft.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2006 in zaak nr. 200505763/1) volgt, gelet op deze toelichting, uit het systeem van de Roa dat de verstrekkingen volgens de Roa kunnen worden beëindigd, indien een asielzoeker over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 2 beschikt.

2.3. Tussen partijen staat vast dat [appellant sub 2] en zijn [partner], vier minderjarige kinderen (hierna: de kinderen) hebben, van wie [appellant sub 2] de biologische vader is, dat de kinderen op 5 maart 2007 in een door de gemeente aan [appellant sub 2] beschikbaar gestelde woning te [plaats] woonden en dat [appellant sub 2] voor twee van de kinderen een toelage volgens artikel 17 van de Roa ontving. Niet in geschil is dat het college de verstrekkingen volgens de Roa aan [partner] en de twee andere kinderen reeds in 2001 heeft beëindigd. Die beëindiging vormt geen onderdeel van het geschil.

2.4. Het college heeft bij besluit van 22 oktober 2008 de beëindiging van de aan [appellant sub 2] volgens de Roa toegekende verstrekkingen met ingang van 1 maart 2007 gehandhaafd, omdat de middelen van [appellant sub 2] toereikend werden geacht om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Als motivering heeft het college het verslag van de op 27 augustus en 1 oktober 2008 gehouden vergaderingen van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften Sociale Zaken en Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: het verslag) ingelast. Hierin is, voor zover thans van belang, ervan uitgegaan dat [appellant sub 2] op 5 maart 2007 over € 1266,73 per maand beschikte, bestaande uit bij onderscheiden besluiten van het COa van 31 januari 2008 aan de kinderen met terugwerkende kracht ingaande 1 maart 2007 toegekende verstrekkingen krachtens de Rvb ter hoogte van € 854,88, een normbedrag wegens gratis wonen ter hoogte van € 123,69 en voedselverstrekkingen ter hoogte van € 288,16. Het totaal van de maandelijkse middelen van [appellant sub 2] was op 5 maart 2007 hoger dan de norm voor een gezin van € 1.236,86 per maand die bij het bepalen van het recht op uitkering ingevolge de WWB werd gehanteerd, zodat hij op dat moment geen recht op verstrekkingen volgens de Roa had, aldus het verslag.

2.5. [appellant sub 2] was van 1 tot 5 maart 2007 gedetineerd. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat zij van de juistheid van het besluit van 22 oktober 2008 uitgaat, voor zover het college hierin de periode die [appellant sub 2] in detentie heeft gezeten, op zijn Roa-toelage in mindering heeft gebracht.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het bepalen van het recht van [appellant sub 2] op verstrekkingen volgens de Roa rekening dient te worden gehouden met de aan de kinderen toegekende verstrekkingen krachtens de Rvb. Daartoe voert hij aan dat artikel 22 van de Roa niet inhoudt dat hij een tegemoetkoming in de kosten van opvang moet betalen, indien zijn gezinsleden inkomsten hebben. In dat artikel gaat het uitsluitend om inkomsten van de asielzoeker zelf. Daarnaast kunnen de kinderen niet als gezinslid in de zin van artikel 22, tweede lid, van de Roa worden aangemerkt, omdat hij op 1 maart 2007 niet hun wettelijk vertegenwoordiger was. Om die reden kon hij ook niet over de aan hen toegekende verstrekkingen krachtens de Rvb beschikken, aldus [appellant sub 2]. Voorts dient volgens hem bij het bepalen van het recht op verstrekkingen volgens de Roa geen rekening te worden gehouden met de inkomsten van die kinderen voor wie hij geen toelage volgens artikel 17 van de Roa ontving. Ten slotte voert [appellant sub 2] aan dat het in strijd is met de wet om geld dat met het oog op het Verdrag inzake de rechten van het kind aan kinderen ter beschikking is gesteld voor het levensonderhoud van hun ouders aan te wenden. Om dezelfde reden worden volgens artikel 22 van de Roa een uitkering krachtens de AKW en een toelage volgens artikel 17 van de Roa ook niet tot de inkomsten van de asielzoeker gerekend. Naar analogie dienen de verstrekkingen krachtens de Rvb evenmin tot zijn inkomsten te worden gerekend, aldus [appellant sub 2].

2.6.1. In artikel 2 noch artikel 22 van de Roa is vermeld dat bij het bepalen van het recht op verstrekkingen volgens de Roa de inkomsten van de gezinsleden van de asielzoeker tot zijn middelen moeten worden gerekend. Uit de toelichting bij de Roa (Strct. 1987, 75, blz. 7) volgt evenwel dat de regelgever dit wel heeft beoogd. Hierin heeft de regelgever opgemerkt dat de opvang volgens de Roa niet een dusdanig karakter mag krijgen dat voor asielzoekers zodanige voorzieningen worden getroffen dat, terwijl niet zeker is dat zij definitief in Nederland mogen verblijven, een voorsprong ten opzichte van andere Nederlanders (lees: bijstandsgerechtigden) ontstaat. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover thans van belang, worden tot de middelen van een belanghebbende alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover het gezin redelijkerwijs kan beschikken. Hiervan moet bij de toepassing van de Roa eveneens worden uitgegaan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tot de middelen van [appellant sub 2] ook de inkomsten van zijn gezinsleden dienen te worden gerekend.

2.6.2. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op artikel 13, tweede lid (oud), gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder d, van de Roa, de kinderen op 5 maart 2007 als gezinslid van [appellant sub 2] in de zin van artikel 22, tweede lid, van de Roa waren aan te merken. Redelijke uitleg van artikel 1, aanhef en onder d, van de Roa, brengt met zich dat onder het hierin vermelde begrip 'kind van een asielzoeker', gelet op het gemaakte onderscheid tussen kind en stiefkind, het eigen kind, dat wil zeggen de bloedverwant in de eerste graad, moet worden verstaan. Tussen partijen staat vast dat, zoals in 2.3. is vermeld, [appellant sub 2] de biologische vader van de kinderen is. Verder biedt artikel 22 van de Roa geen grond voor het oordeel dat bij het bepalen van het recht van [appellant sub 2] op verstrekkingen alleen de inkomsten van die kinderen mogen worden meegenomen voor wie volgens artikel 17 van de Roa een toelage is verstrekt. Volgens artikel 22, tweede lid, van de Roa, is, teneinde als gezinslid te kunnen worden aangemerkt, vereist dat het kind door de gemeente opvang wordt geboden. Redelijke uitleg van artikel 22, tweede lid, van de Roa brengt met zich dat is vereist dat de kinderen op 5 maart 2007 in een door gemeente beschikbaar gestelde woning woonden. Tussen partijen staat vast dat, zoals eveneens in 2.3. is vermeld, dit het geval was.

2.6.3. Daarnaast bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 2] niet over de aan de kinderen krachtens de Rvb toegekende verstrekkingen kon beschikken, omdat hij op 1 maart 2007 niet hun wettelijk vertegenwoordiger was, reeds omdat ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Rvb de toelage ook aan de bloedverwant in de eerste graad kan worden uitbetaald.

2.6.4. Evenmin bestaat grond voor gelijkstelling van de verstrekkingen krachtens de Rvb met uitkeringen krachtens de AKW en toelagen volgens artikel 17 van de Roa, welke uitkeringen en toelagen volgens artikel 22 van de Roa niet tot de middelen van de asielzoeker worden gerekend. Na de wijziging van de Rvb bij besluit van 22 december 2006 (Stcrt. 2006, 253, blz. 13) waarbij is voorzien in verstrekking van een financiële toelage aan bepaalde minderjarige vreemdelingen, is de Roa gewijzigd. Een wijziging van artikel 22 van de Roa heeft echter niet plaatsgevonden. Bij het vaststellen van de Roa heeft de regelgever derhalve niet beoogd dat de verstrekkingen op grond van de Rvb en Roa onafhankelijk van elkaar worden toegekend. Ten slotte heeft [appellant sub 2] niet nader toegelicht met welke wet de Roa in strijd zou zijn, voor zover volgens artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 22, van de Roa, de aan de kinderen krachtens de Rvb toegekende verstrekkingen tot de middelen van [appellant sub 2] worden gerekend.

2.6.5. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het bepalen van het recht van [appellant sub 2] op verstrekkingen volgens de Roa rekening dient te worden gehouden met de aan de kinderen toegekende verstrekkingen krachtens de Rvb.

Het betoog faalt.

2.7. Het college betoogt dat de rechtbank het besluit van 22 oktober 2008 ten onrechte wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft vernietigd, voor zover het college daarin de voedselverstrekkingen aan [partner] en twee van de kinderen tot de middelen van [appellant sub 2] heeft gerekend, aangezien het college ter zitting heeft meegedeeld dat voedselverstrekkingen voor het bepalen van het recht op uitkering ingevolge de WWB niet van belang zijn. Het college voert hiertoe aan, dat het niet heeft bedoeld te kennen te geven dat voedselverstrekkingen nooit in mindering op een WWB-uitkering worden gebracht.

2.7.1. [partner] heeft volgens het verslag verklaard dat zij en twee van de kinderen, nadat, zoals in 2.3. is vermeld, de aan hen volgens de Roa toegekende verstrekkingen in 2001 waren beëindigd, voor hun levensonderhoud afhankelijk waren van voedselverstrekkingen door een kerkgenootschap. Tussen partijen staat vast dat deze voedselverstrekkingen van toevallige, wisselende samenstelling waren en een zuiver charitatief karakter hadden. Daargelaten of voedselverstrekkingen bij het bepalen van het recht op uitkering ingevolge de WWB van belang zijn, brengt redelijke toepassing van artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Roa, met zich dat bij het bepalen van het recht op verstrekkingen volgens de Roa voedselverstrekkingen als de onderhavige buiten beschouwing dienen te blijven. De rechtbank heeft derhalve, zij het op andere gronden, het besluit van 22 oktober 2008 terecht wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd.

Het betoog faalt.

2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.9. Het college dient op na te melden in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer tot vergoeding van de bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

32-485.