Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200803024/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend ten behoeve van de realisatie van Meerstad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803024/1/R1.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

(hierna: tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend ten behoeve van de realisatie van Meerstad.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2008, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2008, beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 30 mei 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellante sub 2], het college en GEM Meerstad B.V. hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2009, waar [appellant sub 1] en het college, vertegenwoordigd door C.H. Dijkstra en D.J.P. Wever, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Verder is GEM Meerstad B.V., vertegenwoordigd door mr. W.R. van de Velde, advocaat te Groningen, M. de Vries, werkzaam bij adviesbureau Pau, en A. de Vrieze, werkzaam bij ingenieursbureau Invraplus B.V., als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een ontgronding van ongeveer 600 hectare ten behoeve van de realisatie van een meer. Dit meer is onderdeel van het project Meerstad dat naast een meer voorziet in circa 10.000 woningen, 135 hectare bedrijventerrein en 830 hectare groen en natuur in een gebied dat ligt tussen Groningen en Slochteren en dat thans in hoofdzaak een agrarische functie heeft.

2.2. Ingevolge artikel 1 van de voorschriften mogen op basis van de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen werkzaamheden worden uitgevoerd, tenzij die werkzaamheden zijn voorzien van een door het college goedgekeurd werkplan.

In een werkplan dient per deelfase te worden aangegeven:

(…)

De plaats van de (tijdelijke) gronddepots, c.q. de percelen waarin de af te voeren bovengrond wordt verwerkt, alsmede de hoeveelheid hiervan. Tevens dient te worden aangegeven hoe depots van met name bovengrond (tijdelijk) worden afgedekt ter voorkoming van overlast en verspreiding van besmettelijke plantenziektes. Tijdelijke depots dienen op minimaal 200 meter van percelen, waarvan de gemeente Slochteren niet de eigenaar is, te liggen, tenzij de eigenaar/eigenaren van dat/die perceel/percelen schriftelijk verklaren geen bezwaar te hebben tegen een kleinere afstand dan 200 meter.

(…)

Ingevolge artikel 7, voor zover hier van belang, mag de waterhuishouding van buiten het te ontgronden gebied gelegen percelen niet nadelig worden beïnvloed.

2.3. [appellant sub 1] voert aan dat de ontgronding zal zorgen voor een verstoring van de waterhuishouding van zijn perceel [locatie a]. Hij vreest verder voor geluid- en stofoverlast vanwege de ontgronding.

2.3.1. De ontgrondingswerkzaamheden zullen gefaseerd plaatsvinden. In fase 2 zal het gebied waar het perceel van [appellant sub 1] deel van uitmaakt, worden omgevormd tot een schiereiland. Daartoe zal een ophoging van het terrein plaatsvinden met zand dat afkomstig is van de ontgronding. Vast staat dat de woning van [appellant sub 1] in deze fase van het project Meerstad niet kan worden gehandhaafd. In verband hiermee zal blijkens het verweerschrift van het college zo nodig tot onteigening van het perceel van [appellant sub 1] worden overgegaan. Dat, zoals [appellant sub 1] heeft aangevoerd, tot nu toe nog geen onderhandelingen over de verkoop van zijn perceel hebben plaatsgevonden, geeft geen reden aan het standpunt van het college te twijfelen. Gezien het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 1] geen verstoring van de waterhuishouding van zijn perceel zal kunnen ondervinden.

2.3.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat gedurende de periode dat de woning op het perceel [locatie a] nog kan worden gehandhaafd geen onaanvaardbare geluid- en stofoverlast vanwege de ontgrondingswerkzaamheden voor [appellant sub 1] zal optreden. Het college heeft daarbij gewezen op de in artikel 1 van de voorschriften opgenomen voorwaarde dat de tijdelijke depots op minimaal 200 meter van percelen, waarvan de gemeente Slochteren niet de eigenaar is, dienen te liggen. Verder heeft het college er op gewezen dat zo nodig vergunningen op grond van de Wet milieubeheer zullen worden aangevraagd. In hoeverre dergelijke vergunningen in het onderhavige geval daadwerkelijk benodigd zijn, heeft het college niet inzichtelijk gemaakt. Aldus kan niet worden beoordeeld of artikel 1 van de voorschriften toereikend is om onaanvaardbare geluid- en stofoverlast vanwege de ontgrondingswerkzaamheden te voorkomen.

2.4. [appellante sub 2] voert aan dat de ontgronding zal zorgen voor een verstoring van de waterhuishouding van de percelen die hij ten behoeve van zijn agrarische bedrijf aan de [locatie b] gebruikt. De door het college gepresenteerde zogenoemde principeoplossing om deze verstoring te voorkomen, is volgens [appellante sub 2] onvoldoende.

2.4.1. De percelen van [appellante sub 2] liggen buiten het te ontgronden gebied, maar grenzen daar direct aan. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 2] tegen de ontwerpvergunning heeft het college aanleiding gezien om op voorhand inzichtelijk te maken op welke wijze, na een verhoging van de waterstanden in de omgeving, de oorspronkelijke waterhuishouding van de percelen van [appellante sub 2] kan worden gegarandeerd, zodat het agrarische gebruik van deze percelen kan worden voortgezet. Volgens deze principeoplossing wordt rondom de gronden van [appellante sub 2] een ringsloot aangelegd die wordt aangesloten op onderbemaling met een waterpeil van 3,10 meter minus N.A.P. in de zomerperiode en minus 3,50 meter N.A.P. in de winterperiode. Verder wordt volgens deze principeoplossing in de oever van het meer een kleidek aangebracht waardoor de infiltratie van water uit het meer wordt verminderd.

2.4.2. Blijkens het deskundigenbericht moet uit een berekening met een verfijnd grondwatermodel worden afgeleid dat na realisatie van Meerstad de ontwateringsdiepte op de percelen van [appellante sub 2] minder dan 0,40 meter zal bedragen. Op enkele laaggelegen gedeelten is volgens het deskundigenbericht sprake van water op het land bij het langjarig gemiddelde van de hoogste grondwaterstand. Bij deze grondwaterstand zijn de draagkracht en de ontwateringstoestand (lucht- en watergehalte van de grond) volgens het deskundigenbericht zodanig verslechterd dat de opbrengst van de teelt van aardappels en graan zal verminderen. In hoeverre de principeoplossing voorkomt dat de waterhuishouding op de percelen van [appellante sub 2] niet nadelig wordt beïnvloed, kan volgens het deskundigenrapport niet worden beoordeeld.

2.4.3. Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft GEM Meerstad een berekening van Royal Haskoning op basis van het grondwatermodel TRIWACO overgelegd. Uit deze berekening volgt volgens het college en GEM Meerstad dat de principeoplossing de huidige drooglegging van de percelen van [appellante sub 2] kan garanderen. Bij de Afdeling is twijfel blijven bestaan over de juistheid van dit standpunt in verband met het volgende. Bij de berekening van Royal Haskoning is het uitgangspunt gehanteerd dat tussen de oostoever van het meer en de Hamweg geen moeras-, maar een kwelzone met een waterpeil van 3,00 meter minus N.A.P. zal worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan "Meerstad-Midden" van 20 december 2007 kent aan de desbetreffende gronden de bestemming "Natuur (uit te werken)" toe. Ingevolge artikel 5.2.3, onder b, van de voorschriften van dit bestemmingsplan wordt er bij de uitwerking naar gestreefd een zo groot mogelijk deel van de oostoever van het meer als natuurlijke oever in te richten. Deze natuurlijke moerasoevers zullen volgens voormeld planvoorschrift onder de directe peilinvloed van het meer moeten staan en deze zone dient gemiddeld 100 meter breed te zijn en moet een totale oppervlak hebben van minimaal 75 hectare. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre het in de berekening van Royal Haskoning gehanteerde uitgangspunt zich verdraagt met het bestemmingsplan "Meerstad-Midden", uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden van dit bestemmingsplan.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 11 maart 2008 met kenmerk 2008-13.434/11/B.13, MV;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan onderstaande appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2]

- € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

399.