Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200908802/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft de HVRC de aansluitende inschrijving van [appellant] in het register van huisartsen voor een kortere periode dan vijf jaar hernieuwd tot 1 januari 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908802/1/H2.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leeuwarden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 oktober 2009 in zaak nr. 08/2137 in het geding tussen:

appellant

en

de Huisarts, Verpleeghuisarts en arts voor verstandelijk gehandicapten Registratie Commissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, thans: het College Geneeskundige Specialismen, gevestigd te Utrecht (hierna: de HVRC).

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft de HVRC de aansluitende inschrijving van [appellant] in het register van huisartsen voor een kortere periode dan vijf jaar hernieuwd tot 1 januari 2011.

Bij besluit, bekend gemaakt op 8 augustus 2008, heeft de HVRC het daartegen gemaakte bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2009, hoger beroep ingesteld.

De HVRC heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2010, waar [appellant] in persoon en de HVRC, vertegenwoordigd door mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht, vergezeld door J. Stolk, werkzaam bij de HVRC, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Regeling specialisten geneeskunst (hierna: de Regeling) is een regeling als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder d, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Ingevolge artikel 26 van de Regeling stelt een registratiecommissie één of meer register(s) in van specialisten, zulks aan de hand van de benaming van de specialismen die krachtens artikel 12, eerste lid, onder b, door het desbetreffende college zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 26a, eerste lid, wordt op diens verzoek in een register ingeschreven degene die voldoet aan de door het desbetreffende college vastgestelde eisen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, geschiedt inschrijving in een register voor een periode van vijf jaar.

Ingevolge het tweede lid kan de registratiecommissie in afwijking van het eerste lid besluiten tot inschrijving in een register voor een kortere periode dan vijf jaar, met inachtneming van het ter zake door het desbetreffende college bepaalde.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, voor zover hier van belang, is het bepaalde in de artikelen 26a en 29, in het geval van een verzoek tot herregistratie van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 31, vierde lid, gaat de nieuwe termijn in op de eerste dag na afloop van de vigerende termijn van inschrijving als een registratiecommissie positief op een verzoek om herregistratie beslist.

Ingevolge het vijfde lid, wordt, indien betrokkene ten tijde van de beslissing van de registratiecommissie niet meer in het desbetreffende specialisme werkzaam is, de duur van de termijn als bedoeld in het vierde lid bepaald uitgaande van de dag volgend op de laatste dag dat betrokkene in het desbetreffende specialisme werkzaam is geweest, onverminderd de terzake door het college gestelde eisen voor herregistratie.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit CHVG no. 2-2002, zoals dat gold tot 1 januari 2005, wordt de inschrijving van een arts in het register van huisartsen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Regeling hernieuwd indien de arts in de vijf jaar voorafgaand aan de expiratie van de registratie heeft voldaan aan de navolgende eisen:

a. de arts is regelmatig en in voldoende mate als huisarts werkzaam geweest;

b. de arts heeft in voldoende mate deelgenomen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevordering op het terrein van de huisartsgeneeskunde.

Ingevolge artikel 2, onder a, voor zover hier van belang, wordt onder werkzaam zijn als huisarts verstaan dat een ingeschreven arts persoonlijk beschikbaar is voor het verlenen van huisartsgeneeskundige zorg en deze zorg ook daadwerkelijk verleent. In alle gevallen geldt dat het werkzaam zijn als huisarts zowel het houden van spreekuren, het afleggen van huisbezoeken, acute hulpverlening als het deelnemen aan onderlinge waarneming bij afwezigheid omvat.

Ingevolge artikel 9, onder a, wordt de duur van de hernieuwing van de inschrijving, die maximaal vijf jaar kan bedragen, berekend naar evenredigheid van de omvang en de duur van werkzaamheden als huisarts.

Ingevolge dat artikel, onder b, wordt de periode waarmee de inschrijving wordt hernieuwd toegekend vanaf de laatste datum dat de ingeschreven arts als huisarts werkzaam is geweest.

Ingevolge artikel 10, onder a, dient de arts om in aanmerking te komen voor hernieuwing van de inschrijving met de maximale periode van vijf jaar in de voorafgaande periode van vijf jaar gedurende tenminste één jaar aaneengesloten voltijds als huisarts werkzaam te zijn geweest, of gedurende de gehele periode van vijf jaar onafgebroken tenminste twee dagdelen per week als huisarts werkzaam te zijn geweest.

Ingevolge dat artikel, onder e, dienen de werkzaamheden evenwichtig te zijn gespreid over de betreffende periode van vijf jaar.

 

Op 1 januari 2005 is het Kaderbesluit CHVG in werking getreden, waarin de algemene eisen voor de (her)registratie van huisartsen staan, en is per diezelfde datum het Besluit CHVG no. 2-2002 ingetrokken.

Ingevolge artikel D.18., eerste lid, van het Kaderbesluit CHVG, zoals dat gold ten tijde van belang, wordt de inschrijving van een arts in het betreffende register van specialisten, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Regeling, hernieuwd indien hij:

a. heeft aangetoond dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de expiratiedatum van de vigerende registratie regelmatig en in voldoende mate als specialist in het betreffende specialisme werkzaam is geweest en

b. in voldoende mate heeft deelgenomen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevorderende activiteiten op het terrein van het betreffende specialisme.

Ingevolge artikel D.22., eerste lid, wordt de duur van de hernieuwing van de inschrijving, die maximaal vijf jaar kan bedragen, berekend naar evenredigheid van de omvang en duur van de werkzaamheden als specialist in het betreffende specialisme, tenzij een individueel scholingsprogramma als bedoeld in artikel D.18., tweede lid, wordt gevolgd.

Ingevolge het tweede lid wordt de periode waarmee de inschrijving wordt hernieuwd voorts bepaald aan de hand van artikel 31, vierde en vijfde lid, van de Regeling.

Ingevolge artikel D.25., eerste lid, dient de specialist om in aanmerking te komen voor hernieuwing van de inschrijving met de maximale periode van vijf jaar de aan de vigerende expiratiedatum voorafgaande periode van vijf jaar gedurende ten minste twee jaar aaneengesloten voltijds of gedurende de gehele periode van vijf jaar onafgebroken ten minste 16 uur per week in het betreffende specialisme werkzaam te zijn geweest.

Ingevolge het zesde lid, zijn de werkzaamheden evenwichtig gespreid over de betreffende periode van vijf jaar.

Ingevolge artikel E.1., vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt, een aanvraag tot herregistratie van een huisarts die is ingediend na 1 januari 2005, voor de periode tot 1 januari 2006 beoordeeld aan de hand van de

herregistratie-eisen opgenomen in Besluit CHVG no. 2-2002 en voor de resterende periode aan de hand van de herregistratie-eisen van dit besluit.

Ingevolge artikel A2. kan het CHVG per specialisme ter uitvoering van het Kaderbesluit CHVG specifieke besluiten vaststellen met eisen betreffende de herregistratie.

Het Besluit huisartsgeneeskunde, in werking getreden op

1 januari 2005, is een dergelijk specifiek besluit.

Ingevolge artikel D.1., eerste lid, van het Besluit huisartsgeneeskunde, zoals dat gold ten tijde van belang, is een arts werkzaam als huisarts als hij persoonlijk beschikbaar en verantwoordelijk is voor het verlenen van huisartsgeneeskundige zorg en deze zorg ook daadwerkelijk verleent. Het werkzaam zijn omvat zowel het houden van spreekuren, het afleggen van huisbezoeken, acute hulpverlening als het deelnemen aan onderlinge waarneming bij afwezigheid, waaronder gemiddeld per jaar tenminste tien avond-, nacht- of weekenddiensten (hierna:

ANW-diensten) van tenminste vijf uur en ten hoogste 24 uur per dienst. Een huisarts is lid van een huisartsengroep.

Ingevolge artikel E.1., is artikel E.1. van het Kaderbesluit CHVG van overeenkomstige toepassing.

2.2. [appellant] is sinds 27 juni 1983 ingeschreven in het register van huisartsen. Omdat de registratie verliep op 1 mei 2008 heeft [appellant] bij aanvraagformulier van 25 februari 2008 verlenging van zijn registratie als huisarts voor de gebruikelijke termijn van vijf jaar aangevraagd. In zijn aanvraag heeft hij vermeld dat hij in 2003 en 2004 jaarlijks 45

ANW-diensten, in 2005 24 ANW-diensten en in 2006 en 2007 geen

ANW-diensten heeft verricht.

2.3. De HVRC heeft bij het besluit van 9 mei 2008, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, de inschrijving in het register van huisartsen met toepassing van artikel D.22., tweede lid, van het Kaderbesluit CHVG, gelezen in samenhang met artikel 31, vijfde lid, van de Regeling, niet met een periode van vijf jaar verlengd tot 1 mei 2013, maar tot 1 januari 2011, omdat [appellant] vanaf 1 januari 2006 geen ANW-diensten meer heeft verricht. Daarmee heeft hij volgens de HVRC niet voldaan aan de minimale eis van gemiddeld tien ANW-diensten per jaar zoals neergelegd in artikel D.1. van het Besluit Huisartsgeneeskunde. Verder heeft de HVRC van belang geacht dat [appellant] niet voldoet aan de in artikel D.25., zesde lid, van het Kaderbesluit gestelde eis dat de werkzaamheden evenwichtig moeten zijn gespreid over de referteperiode.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit op bezwaar bevoegd is genomen, faalt. Dit besluit is door de Commissie van Uitvoering van de HVRC genomen in haar vergadering van 7 augustus 2008. Ter zitting van de Afdeling heeft de HVRC de notulen getoond waaruit dit blijkt. Bij brief van 8 augustus 2008 heeft de secretaris van de HVRC dit besluit van de Commissie van Uitvoering aan [appellant] bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van het Reglement van Orde van de HVRC is de Commissie van Uitvoering door de HVRC gemandateerd tot het nemen van een besluit tot herregistratie als bedoeld in artikel 30 van de Regeling, zoals hier aan de orde is. De Commissie van Uitvoering heeft het besluit van 7 augustus 2008 dus bevoegd genomen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het Reglement van Orde van de HVRC is de secretaris bevoegd stukken te ondertekenen, met uitzondering van uitgaande stukken van gewichtig belang. Aangezien de brief van 8 augustus 2008 op zichzelf niet als een stuk van gewichtig belang in de zin van het Reglement van Orde kan worden aangemerkt, was de secretaris ondertekeningsbevoegd.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat artikel 31, vijfde lid, van de Regeling uitsluitend ziet op het volledig staken van de werkzaamheden als arts en dat de HVRC deze bepaling derhalve niet had mogen toepassen. Verder voert [appellant] in dit verband aan dat de rechtbank ten onrechte niet in haar beoordeling heeft betrokken dat [appellant] ruimschoots voldoet aan het gemiddelde van tien ANW-diensten per jaar indien de ANW-diensten die hij van 2003 tot en met 2005 heeft verricht, worden meegeteld. De rechtbank heeft volgens hem daarbij ten onrechte meegewogen dat elk jaar tenminste één ANW-dienst moet worden verricht, nu dit door de HVRC ingenomen standpunt niet op regelgeving is gebaseerd en [appellant] dit niet wist noch kon weten.

2.5.1. Dit betoog faalt eveneens.

De registratie van [appellant] in het huisartsenregister liep af op

1 mei 2008. Zijn aanvraag tot herregistratie is ingediend op 28 februari 2008. Uit artikel E.1. van het Besluit huisartsgeneeskunde, gelezen in samenhang met artikel E.1., vijfde lid, van het Kaderbesluit CHVG volgt dat de aanvraag voor de referteperiode tot 1 januari 2006 diende te worden beoordeeld aan de hand van de herregistratie-eisen opgenomen in het Besluit CHVG no. 2-2002, en voor de resterende periode aan de hand van de herregistratie-eisen van het Kaderbesluit CHVG en het Besluit huisartsgeneeskunde. Dit betekent dat [appellant] vanaf 1 januari 2006 - voor zover hier van belang - diende te voldoen aan het bepaalde in de artikelen D.18, eerste lid, en D.25, zesde lid, van het Kaderbesluit CHVG, te weten dat hij regelmatig en in voldoende mate als huisarts werkzaam moest zijn en de werkzaamheden evenwichtig over de relevante periode moesten zijn gespreid, alsmede aan het bepaalde in artikel D.1., eerste lid, van het Besluit huisartsgeneeskunde, inhoudende dat gemiddeld per jaar ten minste

10 ANW-diensten moesten worden verricht.

Vast staat dat [appellant] in de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 2007 geen ANW-diensten meer heeft verricht. Gelet hierop, mede in aanmerking genomen dat de werkzaamheden van [appellant] als huisarts evenwichtig moesten zijn gespreid over de periode van 1 mei 2003 tot 1 mei 2008, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat [appellant] vanaf 1 januari 2006 niet als huisarts werkzaam was in de zin van artikel D.1., eerste lid, van het Besluit huisartsgeneeskunde.

Ingevolge artikel D.22., eerste en tweede lid, van het Kaderbesluit CHVG wordt de duur van de hernieuwing van de inschrijving berekend naar evenredigheid van de omvang en duur van de werkzaamheden als huisarts en wordt deze duur mede bepaald aan de hand van artikel 31, vijfde lid, van de Regeling. Dit betekent dat de HVRC deze bepaling van de Regeling terecht heeft toegepast en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de HVRC de hernieuwing van de inschrijving van vijf jaar in heeft mogen laten gaan op 1 januari 2006, de dag volgend op de laatste dag dat [appellant]

als huisarts werkzaam was als bedoeld in artikel D.1., eerste lid, van het Besluit huisartsgeneeskunde.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de Afdeling niet toe aan de vraag of de rechtbank terecht heeft meegewogen dat elk jaar minstens één ANW-dienst moet worden verricht.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

47-615.