Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200908809/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2009:BK1813, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft de minister de subsidiabele kosten voor de restauratie van het Snouck van Loosenhuis te Enkhuizen (hierna ook: het project) vastgesteld op € 786.001,00 en de subsidie voor het project vastgesteld op € 239.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908809/1/H2.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Snouck van Loosen Stichting, gevestigd te Enkhuizen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 oktober 2009 in zaak

nr. 09/934 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft de minister de subsidiabele kosten voor de restauratie van het Snouck van Loosenhuis te Enkhuizen (hierna ook: het project) vastgesteld op € 786.001,00 en de subsidie voor het project vastgesteld op € 239.000,00.

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Alkmaar het door de stichting daartegen ingestelde beroep

niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door [bestuurslid} van de stichting en beheerder van het Snouck van Loosenhuis, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Valkenburcht, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm 1997) kan de minister aan de eigenaar van een beschermd monument dat voorkomt in een gemeentelijk restauratie-uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 11 (hierna ook:

GRUP) subsidie verstrekken in de subsidiabele restauratiekosten van dat monument.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt een subsidie als bedoeld in het eerste lid slechts verstrekt voor zover:

a. de som van de budgetten van de budgethoudende gemeente in het jaar of de jaren ten laste waarvan de subsidie wordt verstrekt, toereikend is; en

b. de som van vier opeenvolgende budgetten die zijn vastgesteld voor de categorie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, waartoe het te restaureren monument behoort, toereikend is.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, kan de raad van een budgethoudende gemeente jaarlijks een GRUP vaststellen waarin staat aangegeven welke beschermde monumenten naar zijn oordeel voor subsidie in aanmerking komen en in welke volgorde.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, dient de eigenaar de aanvraag om subsidie, vergezeld van een restauratieplan en een begroting van de restauratiekosten, in bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het desbetreffende monument is gelegen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, zenden burgemeester en wethouders van een budgethoudende gemeente de aanvraag, vergezeld van een door hen opgestelde berekening van de hoogte van de subsidiabele restauratiekosten binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag door aan de minister. Zij geven daarbij aan of de aanvraag gelet op het GRUP voor inwilliging in aanmerking komt en ten laste van welk voor de gemeente vastgesteld budget de subsidie zou moeten worden gebracht.

Ingevolge artikel 36 kan de minister artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.2. Bij besluit van 25 maart 2004 zijn de subsidiabele restauratiekosten van het project vastgesteld op € 528.587,00.

Naar aanleiding van een aanvullende subsidie-aanvraag van

9 mei 2005 in verband met gemeld en geaccepteerd meerwerk, zijn de subsidiabele restauratiekosten bij besluit van 4 augustus 2005 vastgesteld op een totaal bedrag van € 786.001,00.

Bij brief van 27 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen (hierna: het college) de financiële eindverantwoording van de stichting bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (thans de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, hierna: RDMZ) ingediend, waarbij is verzocht de subsidiabele restauratiekosten van het project te verhogen met € 180.547,00 tot een bedrag van € 966.548,00 omdat de werkelijke kosten uiteindelijk hoger zijn geworden.

Bij brief van 11 september 2006 heeft het college de RDMZ medegedeeld dat in het GRUP 2006-2011 van de gemeente Enkhuizen een budget van in totaal € 239.000,00 beschikbaar is gesteld voor het project.

Bij besluit van 19 oktober 2006, gehandhaafd bij besluit van 3 februari 2009, heeft de minister de subsidiabele restauratiekosten vastgesteld op € 786.001,00, overeenkomstig het besluit van 4 augustus 2005. Voorts heeft de minister de subsidie voor het project, overeenkomstig het budget van de gemeente, vastgesteld op € 239.000,00.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van de stichting tegen het besluit van 3 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard omdat de stichting naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat een vernietiging van het besluit op bezwaar van 3 februari 2009 niet tot de door de stichting gewenste hogere subsidie kan leiden, omdat de minister niet anders kan beslissen dan de subsidie vast te stellen op € 239.000,00, gelet op de systematiek van het Brrm 1997 en het overgangsrecht van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het niet aannemelijk is dat de stichting door het besluit van de minister van 3 februari 2009 schade heeft geleden. Het procesbelang van de stichting kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet zijn gelegen in de mogelijkheid de in artikel 36 van het Brrm 1997 neergelegde hardheidsclausule toe te passen, nu geen sprake is van een situatie waarin de toepassing van het Brrm 1997 zelf tot een onbillijk resultaat leidt. Ook overigens heeft de rechtbank geen grond gezien voor het aannemen van procesbelang van de stichting.

2.4. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister de subsidiabele restauratiekosten, overeenkomstig de berekening van de gemeente, hoger had moeten vaststellen op € 966.548,00 en de subsidie had moeten vaststellen op 50% daarvan, te weten € 483.274,00. Volgens de stichting was het uitgangspunt bij aanvang van de restauratie dat de subsidie zou worden vastgesteld op 50% van de subsidiabele restauratiekosten. De werkzaamheden hebben in nauw overleg met de gemeente en met de RDMZ plaatsgevonden. Volgens de stichting zouden kleinere overschrijdingen van de subsidiabele kosten in de eindafrekening worden betrokken.

Voorts betoogt de stichting dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen schade heeft geleden door het besluit op bezwaar van 3 februari 2009. Het project was noodzakelijk om het Snouck van Loosenhuis te behouden en verder verval te voorkomen en is volledig met een lening gefinancierd. Door de lagere vaststelling van de subsidie drukken de lasten van de lening zwaar op de huidige exploitatie van het project, en kan een deel van de nog te verrichten werkzaamheden niet meer worden uitgevoerd.

2.5. De Afdeling begrijpt het betoog van de stichting in de eerste plaats aldus, dat de rechtbank het beroep van de stichting ten onrechte

niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betoog slaagt. Niet valt in te zien dat de stichting geen belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of zij voor een hogere subsidie in aanmerking komt. Uit de aangevallen uitspraak blijkt ook dat de rechtbank eerst na een inhoudelijke beoordeling aan de hand van het toepasselijk wettelijk kader heeft geconcludeerd - en ook pas heeft kunnen concluderen - dat de stichting niet in het gelijk kan worden gesteld. Dit strookt niet met de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat wordt afgezien van een inhoudelijke behandeling omdat daarbij geen belang meer zou zijn.

2.5.1. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Omdat de rechtbank het beroep van de stichting inhoudelijk heeft beoordeeld, kan de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank worden afgedaan en zal de Afdeling aan de hand van die inhoudelijke beoordeling en de daartegen gerichte gronden het geschil finaal beslechten.

2.6. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Brrm 1997, gelezen in samenhang met artikel 2, derde lid, bepaalt de gemeente welke monumenten voor subsidie in aanmerking komen en voor welk bedrag. Nu de gemeente in het GRUP 2006-2011 voor het project een budget beschikbaar heeft gesteld van in totaal € 239.000,00 en de stichting hiertegen niet is opgekomen, zodat dit budget thans een gegeven is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister geen hogere subsidie kon vaststellen dan hij bij besluit van 3 februari 2009 heeft gedaan.

Gelet hierop kan het vaststellen van hogere subsidiabele kosten, zoals de stichting beoogt, in dit geval niet leiden tot een hogere subsidie, zodat de rechtbank terecht niet meer is ingegaan op de vraag of de minister terecht en op goede gronden de subsidiabele restauratiekosten ondanks het meerwerk niet hoger dan € 786.001,00 heeft vastgesteld.

De rechtbank heeft in dit verband terecht en op goede gronden geoordeeld dat de minister terecht geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. De omstandigheden die de stichting heeft aangevoerd, geven hier geen aanleiding toe. Aan de omstandigheid dat de stichting voor het nemen van de juiste procedurele stappen afhankelijk was van de gemeente, wat daarvan verder ook zij, kan in de rechtsverhouding die hier aan de orde is, waarbij alleen de stichting en de minister zijn betrokken, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

2.7. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de stichting tegen het besluit van 3 februari 2009 alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 oktober 2009 in zaak nr. 09/934;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de stichting Snouck van Loosen Stichting het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

18-615.