Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200908005/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de stichting Stichting Woonborg (hierna: Woonborg) voor de oprichting van een zorgcentrum en zeven appartementen op het perceel Mellenssteeg 41 te Haren (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/179
JOM 2010/558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908005/1/H1.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Haren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 september 2009 in de zaken nrs. 08/1203, 08/1204, 08/1211 en 09/10 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3],

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna: [appellant sub 4]), allen wonend te [woonplaats],

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de stichting Stichting Woonborg (hierna: Woonborg) voor de oprichting van een zorgcentrum en zeven appartementen op het perceel Mellenssteeg 41 te Haren (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 november 2008 heeft het college de door [appellant sub 2], [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] (hierna: [appellant sub 2] en anderen) daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en na heroverweging het besluit van 4 februari 2008 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 4 september 2009, verzonden op 9 september 2009, heeft de rechtbank de door [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 19 november 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 november 2009.

[appellant sub 2] en anderen hebben verweerschriften ingediend.

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college de door [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 4 februari 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en ontheffing verleend als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening van de gemeente Haren (hierna: de Bouwverordening).

[appellant sub 2] en anderen hebben een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2010, waar het college, vertegenwoordigd door W.A. Holtje, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. W.R van der Velde, advocaat te Groningen, en [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Woonborg, vertegenwoordigd door F.F. van der Staaij, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op de oprichting van een medisch centrum en zeven appartementen. In het medisch centrum zullen zich een huisarts, een apotheek, een huisartsenlaboratorium en een fysiotherapeut vestigen. De appartementen worden boven het medisch centrum gerealiseerd. Het bouwplan houdt verband met de herstructurering van het centrumgebied van de wijk Oosterhaar ten behoeve waarvan het nieuwe bestemmingsplan "Van spoor tot steeg" is vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn nabij het perceel onder meer de herontwikkeling van het winkelcentrum Oosterhaar en de oprichting van ongeveer 80 appartementen en 130 parkeerplaatsen voorzien.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Haren-Oosterhaar" rusten op het perceel de bestemmingen "Woondoeleinden I" en "Groenvoorzieningen". Het voorziene bouwwerk is in strijd met deze bestemmingen. Voorts overschrijdt het bouwplan het op de plankaart op het perceel opgenomen bebouwingsvlak en de maximaal toegestane nok- en goothoogtes. Om realisering van het voorziene bouwwerk niettemin mogelijk te maken, heeft het college hiervoor vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gehandeld, door [appellant sub 2] en anderen niet te horen over het na de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften opgestelde rapport van Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij) van 16 september 2008. Volgens het college betreft dit rapport geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb, zodat [appellant sub 2] en anderen niet opnieuw hoefden te worden gehoord.

2.2.1. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

2.2.2. Op 3 juni 2008 zijn [appellant sub 2] en anderen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door de commissie bezwaarschriften naar aanleiding van het besluit van 4 februari 2008. De commissie heeft vervolgens in haar advies aan het college - onder meer - meegedeeld dat naar haar oordeel in dit besluit onvoldoende is gebleken of getoetst is aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening van de gemeente Haren (hierna: de Bouwverordening) en of hieraan voldaan wordt. De commissie heeft het college geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren en het besluit van 4 februari 2008 te herroepen. Daarbij heeft zij het college geadviseerd alsnog te onderzoeken of het bouwplan aan genoemde bepaling voldoet en indien dit niet het geval blijkt te zijn te onderzoeken of daarvan ontheffing mogelijk is en dienovereenkomstig te besluiten.

Naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften heeft het college Grontmij opdracht gegeven de parkeerbehoefte en verkeersbewegingen als gevolg van het voorziene bouwwerk inzichtelijk te maken. Dit heeft geresulteerd in het rapport van 16 september 2008. In dit rapport is de parkeerbehoefte en het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het voorziene bouwwerk inzichtelijk gemaakt. Ook wordt ingegaan op de parkeerbehoefte en verkeersbewegingen in de toekomstige situatie als de herontwikkeling van het gebied in het kader van het bestemmingsplan "Van spoor tot steeg" gereed is.

In het besluit van 19 november 2008 heeft het college het rapport van Grontmij en de daarin gegeven motivering overgenomen en de aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing daarmee aangevuld. Mede op grond van de bevindingen van Grontmij heeft het college de bezwaren gegrond verklaard en, onder aanpassing van de aan het besluit van 4 februari 2008 ten grondslag gelegde motivering, de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand gelaten. Anders dan het college betoogt, is het rapport van Grontmij niet enkel een bevestiging of verduidelijking van het rapport van Stroop raadgevende ingenieurs B.V. van 16 mei 2007. Derhalve is het rapport van Grontmij een feit dat na het horen bekend is geworden en voor het op het bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang geweest. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college [appellant sub 2] en anderen in de gelegenheid had moeten stellen over dit rapport te worden gehoord en dat het besluit van 4 februari 2008 in strijd met artikel 7:9 van de Awb is genomen. Dat [appellant sub 2] en anderen in de beroepsprocedure de mogelijkheid hebben gehad te reageren op het rapport, kan niet, anders dan het college voorstaat, met horen door het college in de zin van artikel 7:9 van de Awb op één lijn worden gesteld.

Het betoog faalt.

2.3. Het college heeft betoogd dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand had moeten laten.

2.3.1. Indien een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Uit het besluit van 19 november 2008 en de daaraan ten grondslag liggende stukken volgt niet dat geen ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening nodig was ten behoeve van de aanleg van parkeerplaatsen bij het voorziene medisch centrum en de appartementen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 november 2008 in stand te laten.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het college heeft op 30 maart 2010 ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op de door [appellant sub 2] en anderen gemaakte bezwaren genomen en deze bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dit brengt met zich dat van de zijde van [appellant sub 2] en anderen van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, nu daarbij aan hun bezwaren niet is tegemoetgekomen.

2.6. Bij het besluit van 30 maart 2010 heeft het college de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand gelaten en alsnog ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening verleend, omdat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. De achter het medisch centrum voorziene parkeerplaatsen betreffen namelijk gronden van de gemeente. Het besluit is mede gebaseerd op het rapport van Grontmij van 16 september 2008, dat is aangevuld bij nadere rapporten van Grontmij van 3 december 2009 en 1 maart 2010.

2.7. Anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college geen gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling, omdat ten behoeve van het gebied waarin het bouwplan is gelegen het nieuw bestemmingsplan "Van spoor tot steeg" is vastgesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 december 2003, in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200302949/1">200302949/1</a>, heeft de wetgever in artikel 19 van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van een - op dat moment - geldend bestemmingsplan voor een project.

2.8. [appellant sub 2] en anderen betogen tevergeefs dat het college de vrijstelling voor het bouwplan niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen in verband met - door hen gevreesde - verkeersonveilige situaties ter plaatse en de omstandigheid dat het college de aard en de te verwachten verkeersbewegingen als gevolg van de oprichting van het medisch centrum en de appartementen niet inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 september 2009 wat betreft het aspect verkeersveiligheid reeds overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college onvoldoende onderzocht heeft of tengevolge van de realisering van het bouwplan verkeersgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Nu de rechtbank deze in beroep door [appellant sub 2] en anderen naar voren gebrachte beroepsgrond uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, zij daartegen niet in hoger beroep zijn gekomen, dient van de juistheid van het in die uitspraak gegeven oordeel over deze beroepsgrond te worden uitgegaan.

Voorts heeft het college, onder verwijzing naar de rapporten van Grontmij toegelicht dat aan de hand van kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW) het aantal te verwachten verkeersbewegingen tengevolge van de oprichting van het medisch centrum en de zeven appartementen is vastgesteld. Ten noorden van het bouwplan komen er ongeveer 140 extra verkeersbewegingen per dag bij en ten zuiden van het bouwplan ongeveer 160 verkeersbewegingen. Derhalve heeft het college de aard en de te verwachten verkeersbewegingen als gevolg van het project voldoende inzichtelijk gemaakt.

2.9. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat het college niet in redelijkheid de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening heeft kunnen verlenen voor de aanleg van de parkeerplaatsen aan de achterzijde van het medisch centrum. Hiertoe voeren zij allereerst aan dat meer parkeerplaatsen benodigd zijn dan berekend is. Volgens [appellant sub 2] en anderen is gerekend met minimale kengetallen en heeft ten onrechte een afronding naar beneden plaatsgevonden. Voorts voeren zij aan dat de aanleg van de parkeerplaatsen de Groene Long, een stuk openbaar groen gelegen achter het perceel waarop het bouwplan is voorzien, aantast en in strijd is met het bestemmingsplan. Verder is het volgens hen niet aannemelijk dat de bezoekers van het medisch centrum - na het vervallen van de parkeerplaatsen die zijn voorzien aan de achterzijde van het medisch centrum - gebruik zullen gaan maken van het bij het winkelcentrum Oosterhaar nog te ontwikkelen parkeerterrein aan de Anjerlaan.

2.9.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.9.2. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat ten behoeve van het project in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Ten behoeve van de zeven appartementen zijn 9,1 parkeerplaatsen nodig. [appellant sub 2] en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun ongemotiveerde stelling dat dit cijfer niet mag worden afgerond naar beneden, zodat de aanleg van negen parkeerplaatsen ten behoeve van de appartementen voldoende is. Ook indien naar boven zou moeten worden afgerond, is voldoende aannemelijk dat er ten behoeve van de appartementen in voldoende parkeerplaatsen is voorzien, nu dubbelgebruik van de parkeerplaatsen voor de appartementen en het medisch centrum mogelijk is. Voor het medisch centrum is berekend dat twintig parkeerplaatsen benodigd zijn. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal onjuist is. Het college heeft er in dit verband met juistheid op gewezen dat bij het berekenen van de parkeerbehoefte ten behoeve van het medisch centrum is uitgegaan van het hoogst aantal parkeerplaatsen per behandelkamer. Dat, naar [appellant sub 2] en anderen hebben gesteld, op dit moment bij Lab Noord meer dan twee parkeerplaatsen bezet zijn, doet niet af aan het feit dat de parkeerbehoefte op een juiste wijze is vastgesteld. In totaal zullen 29 parkeerplaatsen worden aangelegd, zeven aan de voorzijde van het gebouw op eigen grond en 22 op de gronden van de gemeente achter het medisch centrum. De parkeerplaatsen op gronden van de gemeente zullen slechts tijdelijk worden aangelegd en komen te vervallen op het moment dat het parkeerterrein bij het winkelcentrum Oosterhaar is ontwikkeld.

Dat de aanleg van de parkeerplaatsen aan de achterzijde van het medisch centrum ten koste gaat van de Groene Long, kan niet leiden tot het oordeel dat het college de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 september 2009 overwogen dat het college in de door [appellant sub 2] en anderen gestelde aantasting van de Groene Long geen aanleiding heeft hoeven zien om van het verlenen van de vrijstelling voor het bouwplan af te zien. Nu de rechtbank deze in beroep door [appellant sub 2] en anderen naar voren gebrachte beroepsgrond eveneens uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en zij daartegen niet in hoger beroep zijn gekomen, dient ook van de juistheid van het in die uitspraak gegeven oordeel over deze beroepsgrond te worden uitgegaan.

Voorts kan de door [appellant sub 2] en anderen naar voren gebrachte stelling dat de parkeerplaatsen behorend bij het winkelcentrum Oosterhaar, waarvan de bezoekers van het medisch centrum na de realisering van deze parkeerplaatsen gebruik moeten maken, te ver weg zijn gelegen evenmin tot het oordeel leiden dat het college niet in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat ter zitting is vastgesteld dat de te ontwikkelen parkeerplaatsen aan de Anjerlaan op een afstand van 20 tot 30 meter van het medisch centrum zijn gelegen. Die afstand is niet dermate groot dat niet mag worden verwacht dat bezoekers van het medisch centrum hun voertuigen daar zullen parkeren.

Wat betreft de stelling van [appellant sub 2] en anderen dat de aanleg van de tijdelijke 22 parkeerplaatsen aan de achterzijde van het perceel niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, geldt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de ingebruikneming van het voorziene bouwplan deze parkeerplaatsen zullen zijn aangelegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat die parkeerplaatsen op gronden van de gemeente zijn voorzien en dat de belemmering in het bestemmingsplan die zich tegen de aanleg van bedoelde parkeerplaatsen verzet, dan redelijkerwijs kan zijn weggenomen. Voorts is van belang dat in de directe omgeving van het medisch centrum voldoende ruimte is, waaronder het te ontwikkelen parkeerterrein bij het winkelcentrum Oosterhaar, om te voldoen aan de parkeerbehoefte ter plaatse. Gelet op het vorenstaande heeft het college in redelijkheid bedoelde vrijstelling kunnen verlenen en zich in dat kader ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat realisering van het bouwplan niet zodanige parkeerhinder voor omwonenden met zich brengt dat de vrijstelling voor het bouwplan om die reden had moeten worden geweigerd.

Het betoog faalt.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2010 van het college van burgemeester en wethouders van Haren, kenmerk 2010- 767, ongegrond;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Haren een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderd- zevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

163-552.