Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200909719/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909719/1/H3.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 november 2009 in zaak nr. 08/4867 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van het college van 18 juli 2006 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A. Blom, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge het tweede lid geeft het college aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, wordt een beslissing van het college om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. [appellante] heeft verzocht om wijziging van het in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen brondocument. Zij heeft verzocht om in plaats van een paspoort een door haar overgelegde geboorteakte als brondocument op te nemen. Daartoe heeft zij een op 23 november 2004 in Ghana opgemaakte geboorteakte, althans een "certified copy of entry in register of births", overgelegd.

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het college de weigering tot wijziging van de gegevens opnieuw gehandhaafd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat er twijfel is omtrent de juistheid van de op de geboorteakte vermelde gegevens, nu bij een eerder uitgevoerd verificatieonderzoek de identiteit van [appellante], van de in de akte genoemde moeder en van de aangever van de geboorte niet kon worden vastgesteld. Tevens heeft het college het standpunt ingenomen dat [appellante] niet in bewijsnood verkeert.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college inschrijving van de gevraagde gegevens in redelijkheid niet kon weigeren. Zij voert aan dat de resultaten van het eerder uitgevoerde verificatieonderzoek onvoldoende waren om de weigering tot aanvulling van de gegevens op te baseren, nu uit dat onderzoek niet blijkt dat er ten aanzien van de geboorteakte is gefraudeerd, maar dat daaruit slechts blijkt dat de inhoud van de geboorteakte niet kan worden bevestigd. Verder betoogt zij dat ten onrechte is afgezien van het horen van getuigen en dat ten onrechte is voorbijgegaan aan door haar overgelegd bewijs. Voorts stelt zij dat zij wel in bewijsnood verkeert, nu het college zelf het standpunt heeft ingenomen dat de overgelegde geboorteakte onvoldoende is om de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie aan te vullen. Ten slotte doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en op artikel 4:84 van de Awb.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juni 2004 in zaak nr. 200305481/1; www.raadvanstate.nl), is het doel van de Wet gba dat gegevens in de basisadministratie zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Daarom kunnen de gegevens van een ingeschreven persoon slechts onder omstandigheden en na overtuigend bewijs worden gewijzigd, uitsluitend indien daartoe een door de wet aangewezen geschikt document wordt overgelegd.

2.3.2. Er is geen grond voor het oordeel dat de in de geboorteakte opgenomen gegevens slechts kunnen worden geweigerd indien is gebleken van fraude met betrekking tot die gegevens. Verder heeft de minister van Buitenlandse Zaken eerder geweigerd een door [appellante] aangeboden geboorteakte te legaliseren omdat de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet kon worden geverifieerd. In het kader van dit verificatieonderzoek zijn verschillende personen geïnterviewd en is een toelatingsregister van een Ghanese school onderzocht. De verklaringen van de geïnterviewde personen waren niet eensluidend en het toelatingsregister betrof een nieuw opgemaakt stuk. Verificatie van de gegevens was niet mogelijk, omdat er geen objectieve bronnen waren op basis waarvan de afstamming naar zowel moeders als vaders zijde, de geboortedatum, de geboorteplaats en de aangever van de akte konden worden vastgesteld. Dat thans een geboorteakte, waarvan onweersproken is dat daarop dezelfde gegevens zijn vermeld, wel is gelegaliseerd, brengt niet met zich dat de juistheid van de vermelde gegevens daarmee is vastgesteld, nu ter gelegenheid van die legalisatie geen verificatie heeft plaatsgevonden. Gelet daarop bestond nog steeds twijfel over de op de geboorteakte vermelde gegevens. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de weigering niet mede op de uitkomsten van het verificatieonderzoek mocht baseren.

2.3.3. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde getuigen, in afwijking van hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, objectieve en onafhankelijke informatie kunnen geven en dat daarmee de twijfel omtrent de juistheid van de op de geboorteakte vermelde gegevens zou kunnen worden weggenomen. Het door haar overgelegde bewijs is, zoals [appellante] zelf stelt, reeds bij het verificatieonderzoek naar voren gebracht. Daarom heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om dit opnieuw zelfstandig in de beoordeling te betrekken.

2.3.4. Met het betoog dat zij in bewijsnood verkeert nu het college weigert de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen op basis van de geboorteakte, gaat [appellante] eraan voorbij dat niet is gebleken dat het voor haar op geen enkele wijze mogelijk is om op basis van objectieve bronnen als juist te kwalificeren gegevens, opgenomen in één van de in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba genoemde typen documenten, te verkrijgen. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat [appellante] niet in bewijsnood verkeert.

2.3.5. [appellante] heeft gesteld dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld, nu vele burgers in vergelijkbare situaties de juistheid van een document zoals de geboorteakte niet behoeven aan te tonen. Zij heeft echter nagelaten om gevallen te noemen waarin zich een vergelijkbare situatie voordoet maar waarin het college anders heeft gehandeld. Daarmee heeft [appellante] haar beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd, zodat dat niet kan slagen.

2.3.6. Artikel 4:84 van de Awb biedt bestuursorganen de mogelijkheid om onder bijzondere omstandigheden af te wijken van een beleidsregel. De Wet gba is echter geen beleidsregel, maar een wet in formele zin. Het beroep op artikel 4:84 van de Awb kan reeds daarom niet slagen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

280-640.