Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200905844/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905844/1/H2.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 juni 2009 in zaak

nr. 08/1750 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H.G. Levels, en het college, vertegenwoordigd door M.G.W. Rutten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de belanghebbende door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. De aanvraag ziet op vergoeding van planschade die [appellant] stelt te lijden vanwege een op 14 oktober 2005 krachtens artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling voor de bouw van 75 zelfstandige wooneenheden op de hoek van de Hendrik Luytenstraat en de Tudderenderweg te Sittard (hierna: het complex). Het college heeft deze aanvraag overeenkomstig een advies van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) afgewezen, omdat [appellant] door de planologische wijziging niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.4. Aan een deel van de gronden waarop de vrijstelling betrekking heeft, is in het bestemmingsplan "Stadbroek" de bestemming "Bebouwingsklasse EW" toegekend. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften bij dit bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor woondoeleinden. Op deze gronden mogen eengezinswoningen in de vorm van aaneengesloten bebouwing worden gebouwd. Een ander deel van de gronden is in het bestemmingsplan "Stadbroek I" eveneens tot "Bebouwingsklasse EW" bestemd. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften bij dit bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor woondoeleinden. In de bebouwingsvoorschriften hierbij is niet opgenomen dat de eengezinswoningen in de vorm van aaneengesloten bebouwing moeten worden gebouwd.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het SAOZ-advies van onjuiste feiten is uitgegaan. Zo is het complex omvangrijker dan de bebouwing die ter plaatse mogelijk was onder de bestemmingsplannen "Stadbroek" en "Stadbroek I", is de afstand van de woning van [appellant] tot het complex gering, is het deel van het complex dat vanuit de woonkamer en voortuin van [appellant] zichtbaar is niet vergelijkbaar met hetgeen onder het vorige planologische regime mogelijk was en is het karakter van de woonomgeving veranderd van een open naar een gesloten bebouwing. [appellant] betoogt tevens dat realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime van de bestemmingsplannen onwaarschijnlijk was. Voorts betoogt hij dat de vrijstelling leidt tot geluids- en parkeeroverlast en dat hij door de bouw van het complex moet omrijden teneinde zijn woning te kunnen bereiken.

2.6. Niet in geschil is dat de afstand van het complex tot de voorgevel van de woning van [appellant] ongeveer 28 meter bedraagt.

Het college heeft zich op basis van het advies van de SAOZ van februari 2008, aangevuld bij advies van 23 juni 2008, op het standpunt gesteld dat het complex weliswaar omvangrijker is dan de bebouwing die op grond van de bestemmingsplannen "Stadbroek" en "Stadbroek I" ter plaatse was toegestaan, maar dat het complex, gelet op de afstand tot de woning en de zijdelingse ligging ervan, slechts gedeeltelijk zichtbaar is voor [appellant]. Voor zover er wel zicht bestaat op het complex is het college tot de conclusie gekomen dat het zichtbare deel vergelijkbaar is met hetgeen op grond van de maximale invulling van de bestemmingsplannen gerealiseerd had kunnen worden. Gelet op de overgelegde foto's en de bebouwingsvoorschriften van genoemde bestemmingsplannen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in de adviezen van de SAOZ van onjuiste feiten is uitgegaan of dat aan de hierin opgenomen planologische vergelijking gebreken kleven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college deze adviezen aan het besluit van 10 september 2008 ten grondslag heeft kunnen leggen. Anders dan [appellant] betoogt is het karakter van de woonomgeving voor wat betreft de planologische mogelijkheden niet geheel veranderd van een open naar een gesloten bebouwing nu wat betreft het voor hem zichtbare gedeelte op het complex ingevolge de bebouwingsvoorschriften reeds in aaneengesloten bebouwing kon worden gebouwd.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de - naar hij aanvoert - standaard goothoogte, welstandseisen en Energie Prestatie Coëfficiënt in de weg staan aan realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime van de bestemmingsplannen. Hierbij is in aanmerking genomen dat het niet is uitgesloten dat met inachtneming van de bestemmingsplannen, gemeentelijke bouwverordening, welstandseisen en het Bouwbesluit een gebouw zou kunnen worden opgericht dat voldoet aan de door [appellant] genoemde punten.

Wat betreft het betoog van [appellant] dat de vrijstelling met zich brengt dat door in het complex wonende studenten meer geluidsoverlast wordt veroorzaakt dan voorheen het geval was, heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 10 januari 2007 in zaak nr. 200602660/1) dat artikel 49 van de WRO geen grondslag biedt voor vergoeding van schade die het gevolg is van het mogelijk niet naleven van geldende wettelijke voorschriften of mogelijke uitwassen van gedragingen. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de door [appellant] gestelde overlast, voor zover dit binnen de geldende wettelijke voorschriften plaatsvindt, voor hem leidt tot een nadeliger situatie ten opzichte van het onder het voorheen geldende planologische regime toegestane gebruik ter plaatse. Hierbij is in aanmerking genomen dat onder dit voorheen geldende regime onder andere horeca was toegestaan.

De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat de vrijstelling niet leidt tot een zodanige toename van parkeeroverlast dat hierdoor een voor [appellant] nadeliger situatie ontstaat. Het betoog van [appellant] dat hij moet omrijden teneinde zijn woning te kunnen bereiken omdat de doorgang onder het complex niet meer toegankelijk is voor het autoverkeer en daardoor schade lijdt, leidt evenmin tot het beoogde doel nu dit geen planologische maatregel maar een verkeersbesluit betreft en artikel 49 van de WRO geen grondslag biedt voor vergoeding van eventuele schade ten gevolge hiervan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

85-616.