Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200905260/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ2677, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het realiseren van de eerste fase woningen, inclusief ontsluitende rotonde op de Zutphensestraat op het perceel, globaal begrensd door de Zutphensestraat, Elzenbosweg, N348, Meengatstraat en De Veldweide van de uitbreidingslocatie "Elzenbos" (hierna: Elzenbos) te Brummen (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2010/638
ABkort 2010/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905260/1/H1.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 juli 2009 in zaak nr. 08/1368 in het geding tussen:

[appellant] e.a.

en

het college van burgemeester en wethouders van Brummen

(hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het realiseren van de eerste fase woningen, inclusief ontsluitende rotonde op de Zutphensestraat op het perceel, globaal begrensd door de Zutphensestraat, Elzenbosweg, N348, Meengatstraat en De Veldweide van de uitbreidingslocatie "Elzenbos" (hierna: Elzenbos) te Brummen (hierna: het project).

Bij uitspraak van 15 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door O.G. Sprikkelman en R. Grob, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet, voor zover thans van belang, in het bouwrijp maken van het desbetreffende gebied ten behoeve van de woningbouw aan de westkant van het plangebied en het aanleggen van een rotonde als aansluiting op de Zutphensestraat en aanverwante voorzieningen als wegen, paden, groen, oeververbindingen en water. Het is onderdeel van de ontwikkeling van Elzenbos voor de bouw van 738 woningen, waarvoor inmiddels een ontwerp-bestemmingsplan is opgesteld.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf hun verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist.

Ingevolge artikel 19a, tweede lid, voor zover thans van belang, beslissen de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, of toepassing zal worden gegeven aan het vierde lid.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro), voorzover thans van belang, gaat de aanvraag om vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de wet, vergezeld van tenminste een duidelijke situatieschets van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.3. [appellant] e.a. betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen, omdat geen aanvraag daartoe voorlag en wijziging van de geldende bestemmingsplannen aangewezen was, aangezien deze verouderd waren.

2.3.1. Voor zover het er toe strekt dat het college geen vrijstelling kon verlenen, omdat geen daartoe strekkende aanvraag voorlag, slaagt het betoog. Uit artikel 19a, tweede lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van het Bro, dat deel uitmaakt van Afdeling 2, getiteld "Voorschriften in acht te nemen bij het verlenen van vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de wet", volgt dat vrijstelling, als bedoeld in die bepaling, slechts kan worden verleend op daartoe strekkende aanvraag.

Van een zodanige aanvraag is in dit geval niet gebleken. De ruimtelijke onderbouwing van het project kan niet als zodanig dienen, reeds omdat daaruit niet blijkt, op welke percelen het project zal worden verwezenlijkt.

Gelet hierop, komt de Afdeling aan een bespreking van de overige beroepsgronden niet toe.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. Een en ander leidt tot na te melden beslissing.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 juli 2009 in zaak nr. 08/1368;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brummen van 1 juli 2008, kenmerk BW08.0253/LS;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brummen tot vergoeding van bij [appellant] en [8 andere appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestigeuro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Brummen aan [appellant] en [8 andere appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 366,00 (zegge: driehonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

17-564.