Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8811

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200902651/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden bij besluit van 25 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Maatsestraat".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 10-125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902651/1/R3.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden bij besluit van 25 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Maatsestraat".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2010, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad van de gemeente Uden, vertegenwoordigd door drs. J. Heijmans, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van twee appartementencomplexen en grondgebonden woningen op een braakliggend terrein aan de Maatsestraat te Uden, waar voorheen een Technische School was gevestigd. Het terrein wordt door vier wegen omringd, waaronder de Maatsestraat en de Heinsbergenstraat. Op deze vier wegen mag maximaal 30 km/u worden gereden.

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat het advies van de Provinciale Planologische Commissie (hierna: de PPC) van 11 februari 2009 in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO niet aan het bestreden besluit is gehecht.

Anders dan [appellant sub 2] stelt, vloeit uit artikel 28, tweede lid, van de WRO niet voort dat het advies van de PPC dient te worden gehecht aan het besluit omtrent goedkeuring. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met deze bepaling heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

2.4. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] voeren aan dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met het provinciale beleid. Zij wijzen erop dat intensivering en aanpassing van het stedelijk gebied volgens dit beleid slechts kan waar dat mogelijk en verantwoord is. Hiervan is volgens hen geen sprake, aangezien de bouw van twee zeer omvangrijke appartementencomplexen, met elk een breedte van meer dan 50 meter en een hoogte van 17 meter mogelijk wordt gemaakt.

2.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het plangebied volgens het Uitwerkingsplan 'Uden-Veghel en omstreken' er naar wordt gestreefd om het ruimtegebruik te intensiveren en dat aanpassing van het stedelijk gebied, waar dat vanwege bestaande ruimtelijke kwaliteiten mogelijk en verantwoord is, nodig kan zijn. Volgens het uitwerkingsplan zal dit niet snel leiden tot een totaal andere structuur of functie van stadsdelen en/of wijken. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond om te oordelen dat het plan niet past binnen het beleid van het college.

Ten aanzien van het betoog dat de bebouwing te massaal is en niet past in de omgeving, overweegt de Afdeling dat het plan voorziet in onder meer twee appartementencomplexen. De maximale bouwhoogte van deze complexen is aan de kant van de Heinsbergenlaan gedeeltelijk zeventien meter, en aan de kant van de Maatsestraat elf tot veertien meter. Deze twee appartementencomplexen liggen op ten minste 50 meter van de woningen aan de Heinsbergenlaan en ten minste 25 meter van de woningen aan de Maatsestraat. De tussenliggende wegen hebben een normaal tot breed profiel met laanbeplanting. Voorts was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan bebouwing met een goothoogte van vijftien meter ter plaatse toegestaan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bouwhoogte van zeventien meter ter plaatse aanvaardbaar is en dat de appartementencomplexen passen binnen de omgeving. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat het college niet is ingegaan op de aangevoerde argumenten inzake de verkeersintensiteit. Zij betogen voorts dat recente verkeerstellingen ontbreken en dat voor de Heinsbergenstraat van verkeerde gegevens wordt uitgegaan. Zij wijzen erop dat in het milieuonderzoek "Geluid en Lucht Maatsestraat Uden" van 7 mei 2008 is vermeld dat rekening gehouden moet worden met een verkeersintensiteit van ongeveer 1.850 voertuigen per dag, en niet van 1.300 zoals in de toelichting van het plan is aangegeven. Nu de verkeersintensiteiten onduidelijk zijn, zijn volgens hen ook de uitkomsten van de onderzoeken in het kader van de geluidhinder en de luchtkwaliteit ondeugdelijk.

2.6.1. Ter zitting is gebleken dat de plantoelichting aldus moet worden begrepen dat de huidige verkeersintensiteit ongeveer 1.300 motorvoertuigen per dag bedraagt en zal toenemen met ongeveer 500 als gevolg van het plan. De totale verkeersintensiteit na realisatie van het plan zal derhalve rond de 1.800 voertuigbewegingen per dag liggen. Gelet op het zeer geringe verschil met de 1.850 voertuigbewegingen waarvan in het milieuonderzoek van 7 mei 2008 is uitgegaan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van de uitkomsten van dit laatstgenoemde onderzoek mocht uitgaan. Evenmin hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] aannemelijk gemaakt dat de genoemde verkeersintensiteiten zodanig verouderd zijn dat aan de uitkomsten van het rapport moet worden getwijfeld. Voorts is onbestreden dat de Heinsbergenstraat 2.000 motorvoertuigbewegingen per dag kan afwikkelen en dat op deze straat niet harder dan 30 km/u mag worden gereden. Het college heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor ernstige verkeersoverlast dan wel een verkeersonveilige situatie behoeft te worden gevreesd. De beroepsgrond treft geen doel.

2.7. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen dat het plangebied onvoldoende parkeergelegenheid biedt. Zij wijzen er op dat, uitgaande van de Nota Parkeernormen van oktober 2006, 187 parkeervoorzieningen nodig zijn, terwijl het plangebied slechts ruimte biedt voor 183. Volgens hen had in de voorschriften van het bestemmingsplan het aantal te realiseren parkeerplaatsen moeten worden vastgelegd. De verwijzing in de planvoorschriften naar de bovengenoemde nota, achten zij niet rechtszeker, nu in de deze nota louter is vermeld dat de bouwverordening van toepassing is. Zij betogen dat naar de nota had moeten worden verwezen.

2.7.1. Ingevolge artikel 4, lid A, onder 2a, van de planvoorschriften wordt bij de realisering van de bestemmingen "Woondoeleinden met bijbehorende erven - W - " en "Verblijfsdoeleinden - Vb - " uitgegaan van de aanleg van voldoende parkeerplaatsen conform de nota "Parkeervoorzieningen" van oktober 2006. Volgens het college zijn op basis van deze nota, samengevat weergegeven, binnen het plangebied 187 parkeerplaatsen noodzakelijk. Het plangebied biedt voldoende ruimte om deze 187 parkeerplaatsen te realiseren. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor ernstige parkeerhinder behoeft te worden gevreesd.

Verder is in de bovengenoemde nota gesteld dat indien, zoals in het onderhavige geval, geen parkeernormen in het bestemmingsplan zijn opgenomen, de bouwverordening van Uden van toepassing is. Op grond van artikel 2.5.30 van deze verordening dient bij de beoordeling van de aanvraag om de bouwvergunning te worden getoetst of er voldoende parkeergelegenheid is. Voor het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen is de bovengenoemde nota van toepassing. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel voorgaande bepalingen tot rechtsonzekerheid leiden. De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat onzeker is of het wegverkeerslawaai niet meer dan 53 dB op de gevel van de te bouwen appartementen zal veroorzaken en of een gevelwering van 20 dB bij de nieuw te bouwen woningen kan worden gewaarborgd.

In het akoestisch onderzoek van 7 mei 2008 is vermeld dat het wegverkeerslawaai op de gevel 53 dB zal bedragen. [appellant sub 2] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de uitkomsten van het akoestisch onderzoek. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat de gevelwering niet kan voldoen aan de in het Bouwbesluit ter zake voorgeschreven eisen. De beroepsgrond slaagt niet.

2.9. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat het in 2005 uitgevoerde onderzoek naar beschermingswaardige natuurwaarden gedateerd is en daarom niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd. Deze omissie had niet hersteld mogen worden door het aanvullende rapport van 7 mei 2008. Verder menen zij dat in het plan had moeten worden vastgelegd welke bomen behouden moeten blijven, mede in verband met de mogelijk aanwezige vleermuispopulatie.

2.9.1. Uit de onderzoeken van Tauw van 28 juli 2005 en 7 mei 2008 is gebleken dat zich geen beschermde diersoorten ophouden dan wel hun foerageergebied hebben in het plangebied. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben geen onderzoek overgelegd waaruit blijkt dat deze uitkomsten onjuist zijn, dan wel aannemelijk gemaakt dat in het plangebied soorten voorkomen waarvoor een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet moet worden verleend. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Met betrekking tot de door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] gewenste zekerheid dat in het plan wordt vastgelegd welke bomen hoe dan ook moeten worden behouden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze bomen zo beschermingswaardig zijn, dat het plan in een regeling ter bescherming van die bomen had moeten worden voorzien. De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant sub 2] voert aan dat de verwerking van hemelwater en rioolwater niet afdoende is gewaarborgd. Volgens hem hadden ter zake voorschriften aan het bestemmingsplan dienen te worden verbonden.

Deze grond heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven.

2.11. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen tot slot dat op de voorgenomen locatie geen behoefte is aan de te realiseren appartementen. Volgens hen is daarom het plan economisch niet uitvoerbaar.

Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat een behoefte bestaat aan nieuwe woningen aangezien hiermee een goede doorstroming en differentiatie op de woningmarkt kan worden bereikt. Uit onderzoek is gebleken dat onder meer behoefte bestaat aan stedelijk wonen in hogere dichtheden. Met name de binnenstedelijke locaties, waarop voorliggend bestemmingsplan betrekking heeft, zijn geschikt voor de realisatie van "stedelijk wonen". [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks geen behoefte bestaat aan de te bouwen woningen, en dat om die reden het plan economisch niet uitvoerbaar zou zijn.

2.12. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben verder in het beroepschrift verwezen naar hetgeen naar voren is gebracht in de procedure tot vaststelling en goedkeuring van het bestemmingsplan. Het college en de raad zijn ingegaan op deze bedenkingen en zienswijzen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in de beroepschriften, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de door hen naar voren gebrachte standpunten onjuist zou zijn.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

361.