Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
201003895/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan het Waterschap Hunze en Aa's een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van percelen ten behoeve van de realisering van het Inrichtingsplan voor de gebieden Benedenloop Westerwoldse Aa (gedeeltelijk), Kuurbos/Bos op Houwingaham, Hamdijk en Bovenlanden voor waterberging, robuuste verbindingszones en recreatieve maatregelen en voorzieningen in de gemeenten Bellingwedde en (voormalig) Reiderland (thans Oldambt). Dit besluit is op 15 maart 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2010/6 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003895/2/M1.

Datum uitspraak: 18 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan het Waterschap Hunze en Aa's een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van percelen ten behoeve van de realisering van het Inrichtingsplan voor de gebieden Benedenloop Westerwoldse Aa (gedeeltelijk), Kuurbos/Bos op Houwingaham, Hamdijk en Bovenlanden voor waterberging, robuuste verbindingszones en recreatieve maatregelen en voorzieningen in de gemeenten Bellingwedde en (voormalig) Reiderland (thans Oldambt). Dit besluit is op 15 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2010, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2010, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [verzoeker] en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.R. van de Velde, advocaat te Groningen, en H.G. Schuurman, W.H. Degenhart Drenth, M. Boven en C.H. Dijkstra, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's, vertegenwoordigd door W. Kastelein en J. Lammers, beiden werkzaam bij het waterschap, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Ontgrondingenwet kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 10, vijfde lid, voor zover hier van belang, worden besluiten tot het verlenen van een vergunning genomen na afweging van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

2.3. [verzoeker] en anderen betogen dat de ontgronding tot aantasting van de kernwaarden van waardevol architectonisch en agrarisch landschap leidt. Door de visuele en fysieke scheidingen die ontstaan zou volgens hen een inbreuk worden gemaakt op het cultuurhistorisch ensemble dat Hamdijk cum annexis is. Volgens [verzoeker] en anderen is dit in strijd met uitgangspunten voor het rijksbeleid, zoals neergelegd in de Belvedere nota, en het provinciaal beleid zoals neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 (hierna: POP 2009-2013). Volgens dit beleid zou, zo stellen [verzoeker] en anderen, moeten worden aangesloten bij het eigen karakter en de landschappelijke en cultuurhistorische elementen van een gebied. Het creëren van omgevingsvreemde quasi-natuur past volgens [verzoeker] en anderen niet in deze uitgangspunten. Ook in het ten behoeve van onder meer de ontgrondingsvergunning opgestelde milieu-effectrapport is volgens [verzoeker] en anderen ten onrechte geen aandacht besteed aan de architectuur en het landschap en de cultuurhistorische kernkarakteristieken. Volgens hen gaan het milieu-effectrapport en de ontgrondingsvergunning niet uit van een integrale aanpak, maar van een op zichzelf staand naar binnen gericht plan. [verzoeker] en anderen betogen voorts dat de doelstelling om waterberging voor noodgevallen te creëren ook met behoud van de agrarische functie zou kunnen worden gerealiseerd, en dat het niet nodig is daarvoor gebiedsvreemde natte natuur en moerassen aan te leggen.

[verzoeker] en anderen betogen dat de zogenaamde robuuste verbindingszone in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur zinloos is, omdat zij geen aansluiting heeft op gebieden in Duitsland

[verzoeker] en anderen betogen voorts dat de verhoging van de kades, die zal plaatsvinden in verband met de doelstelling om waterberging te verwezenlijken, en met gebruikmaking van de afgegraven grond, hun uitzicht onaanvaardbaar zal beperken.

2.3.1. De voorzitter overweegt dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de ontgronding dient voor het winnen van materiaal om de kades op te hogen in samenhang met inrichting van het ontgronde gebied als natuurgebied en robuuste verbindingszone. De beleidsmatige keuze daarvoor is gemaakt in een uitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan van 13 december 2005 zoals herzien op 2 december 2008 en overgenomen in het POP 2009-2013. De bestemmingsplannen waarin de bestemming van de gebieden dienovereenkomstig is ingevuld, zijn vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Reiderland (thans Oldambt) bij besluit van 25 november 2009, en de raad van de gemeente Bellingwedde bij besluit van 17 december 2009. De voorzitter heeft uitspraak gedaan op een verzoek om voorlopige voorziening tegen deze besluiten tot vaststelling van de bestemmingsplannen (uitspraak van 27 april 2010, in zaken 201000602/2/R1 en 2010001424/2), en dit verzoek afgewezen. De bestemmingsplannen zijn derhalve in werking getreden. De inrichting voor het gebied is vastgelegd in een Inrichtingsplan, vastgesteld door het algemeen bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's en goedgekeurd door het college bij besluit van 31 augustus 2009. Het tegen het goedkeuringsbesluit ingestelde beroep is door de Rechtbank Groningen bij uitspraak van 31 maart 2010 ongegrond verklaard (AWB 09/1146 en AWB 09/1175). De voorzitter overweegt dat de beroepsgronden betreffende de visie op het landschap en de gevolgen van de ingrepen voor het uitzicht van omwonenden, betrekking hebben op afwegingen die allereerst in het hiervoor weergegeven planologisch en waterstaatkundige kader gemaakt zijn. Gelet daarop acht de voorzitter het niet aannemelijk dat deze gronden aanleiding zullen geven voor vernietiging van het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning.

2.4. [verzoeker] en anderen betogen dat door de ontgronding het bodemarchief wordt verwoest en landschapsvervalsing plaatsvindt, onder meer door het verleggen van de historische molentocht.

2.4.1. De voorzitter overweegt dat, gelet op de stukken, onder meer het milieu-effectrapport, de gevolgen voor het bodemarchief en historisch landschapselementen zijn gewogen. Daarbij zijn maatregelen betrokken om schade aan archeologische en cultuurhistorische waarden zo veel als mogelijk is, te beperken. In de ontgrondingsvergunning is voorgeschreven dat de adviezen van adviesbureau voor archeologie, landschap en ruimtelijke plannen Libau dienen te worden opgevolgd, en dat, indien archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, de werkzaamheden dienen te worden stopgezet en contact moet worden opgenomen met de provinciaal archeoloog van de provincie Groningen. De voorzitter ziet, gelet op het vorenstaande, in hetgeen wordt aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het verlenen van de ontgrondingsvergunning de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden onvoldoende in de afwegingen van het college zijn betrokken.

2.5. [verzoeker] en anderen betogen dat zij niet naar behoren op de ontwerpvergunning hebben kunnen reageren omdat voor het bos op Houwingaham ten onrechte de benaming Kuurbos werd gehanteerd.

2.5.1. In de ontwerpvergunning staat Kuurbos/Bos op Houwingaham vermeld. Gelet daarop is duidelijk wat er in het kader van dit ontwerp wordt bedoeld met Kuurbos. Ook indien de benaming Kuurbos onjuist is, valt derhalve niet in te zien waarom het gebruik ervan aan een adequate reactie in de weg zou hebben gestaan.

2.6. [verzoeker] en anderen betogen dat de ontgrondingsvergunning een schaderegeling had moeten bevatten, gezien de ingrijpende gevolgen voor hun leefomgeving en de daarmee verbonden gevaren voor schade aan hun bezittingen.

2.6.1. In artikel 26 van de Ontgrondingenwet is, voor zover hier van belang, bepaald dat aan onder meer degene die overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht een vergoeding wordt toegekend indien hij als gevolg van de verlening van een ontgrondingsvergunning schade lijdt die niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Deze vergoeding kan hetzij bij het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning, hetzij bij een afzonderlijk besluit worden toegekend. In artikel 28 van de Ontgrondingenwet is voorts bepaald dat een afzonderlijke beschikking tot vergoeding van schade kan worden aangevraagd. Nu de Ontgrondingenwet reeds een regeling voor schadevergoeding bevat, en niet vereist is dat een besluit tot vergoeding van schade in de ontgrondingsvergunning is opgenomen, acht de voorzitter het niet aannemelijk dat het bestreden besluit zal worden vernietigd omdat dit geen bepalingen inzake schadevergoeding bevat.

2.7. [verzoeker] en anderen hebben bezwaren naar voren gebracht in verband met de wijze van tot stand komen van de (uitwerking van) de Provinciale Omgevingsplannen en van de bestemmingsplannen. Deze bezwaren hebben geen betrekking op het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning, en kunnen niet leiden tot vernietiging van dit besluit.

2.8. Gelet op al het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010

539.