Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200908728/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een landbouwschuur ten behoeve van de door hem op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gedreven onderneming waarin grondwerk en loonwerk plaatsvindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908728/1/H1.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) van 20 oktober 2009 in zaak nr. 08/5693 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beuningen

(hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een landbouwschuur ten behoeve van de door hem op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gedreven onderneming waarin grondwerk en loonwerk plaatsvindt.

Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft het college het daartegen door omwonenden gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken.

Bij de uitspraak van 18 juli 2007 heeft de rechtbank het door [appellant] hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen.

Bij besluit van 6 mei 2008, verzonden 9 mei 2008, heeft het college geweigerd [appellant] voor het bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 20 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift als doorgezonden beroepschrift aangemerkt en het daarbij ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.R.H. Kuiper, advocaat te Hattem, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.D.A. Bos, advocaat te Nijmegen, en mr. A.J.M. Elschot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door hem niet te volgen in het betoog dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren, heeft miskend dat het college in strijd met de goede procesorde ter zitting bij de rechtbank op de inhoudelijke aspecten van het geschil is ingegaan, hoewel het zich in het verweerschrift had beperkt tot het betoog dat het beroep niet-ontvankelijk was en hij daardoor in zijn belangen is geschaad, omdat hij zich niet op de inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting heeft kunnen voorbereiden. Het besluit van 6 mei 2008 maakte geen onderdeel uit van de stukken, op grondslag waarvan de rechtbank uitspraak moest doen, aldus [appellant].

2.1.1. De rechtbank heeft terecht een oordeel gegeven over het op 19 juni 2008 door [appellant] ingestelde beroep, waarvan hij de gronden heeft aangevuld bij brief van 13 februari 2009. Zij heeft evenzeer terecht in de omstandigheid dat het college zich in het verweerschrift heeft beperkt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep, geen grond gevonden om inhoudelijke behandeling ervan ter zitting achterwege te laten. [appellant] mocht aan het verweerschrift niet de verwachting ontlenen dat het daartoe niet zou komen.

Het betoog dat het besluit van 6 mei 2008 geen deel uitmaakte van de gedingstukken en de rechtbank om die reden in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak heeft gedaan, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het besluit van 6 mei 2008 maakte deel uit van de door het college overgelegde gedingstukken.

2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door de aan de weigering vrijstelling te verlenen ten grondslag liggende belangenafweging te beoordelen, heeft miskend dat bij het besluit van 11 april 2006 rechtsgeldig bouwvergunning is verleend.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1), heeft het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 juli 2007 overwogen dat uit het besluit van 11 april 2006 is af te leiden dat dit uitsluitend de bouwvergunning betreft en [appellant] aan dit besluit niet het vertrouwen mocht ontlenen dat het tevens een besluit tot vrijstelling omvat. Aldus heeft zij deze beroepsgrond uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank is, nu [appellant] tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, terecht van het daarin over deze beroepsgrond gegeven oordeel uitgegaan.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door hem niet te volgen in het betoog dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen weigeren, heeft miskend dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

2.3.1. De beslissing omtrent vrijstelling behoort tot de bevoegdheden van het college, bij de toetsing waarvan de rechter zich wat betreft de belangenafweging moet beperken tot de vraag of het in redelijkheid tot de weigering heeft kunnen komen.

2.3.2. Het college heeft bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling onder meer het provinciaal ruimtelijk beleid, neergelegd in het "Streekplan Gelderland 2005" (hierna: het streekplan), in aanmerking genomen. Nu dit streekplan ten tijde van het besluit van 6 mei 2008 gold en vrijstelling daarmee in strijd zou zijn, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van het college om hem vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen in strijd is met het evenredigheids-, het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel.

2.4.1. Dit is aldus voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is om aan te nemen dat dit niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, kunnen deze gronden, wat daar verder van zij, niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2.5. [appellant] verzoekt het college te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade. Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat voor schadevergoeding echter geen grond. Het verzoek moet worden afgewezen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

163-640.