Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200907661/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het college aan Bage Groep B.V. vrijstelling voor de duur van tien jaar en bouwvergunning verleend ten behoeve van het verbouwen en uitbreiden van een bedrijfspand op het perceel Klein Frankrijk 31 (hierna: het perceel) te Goes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/3762 met annotatie van G. van den End
OGR-Updates.nl 10-127 met annotatie van Tycho Lam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907661/1/H1.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Agrimarkt B.V., gevestigd te Wemeldinge, gemeente Kapelle (hierna: Agrimarkt),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 10 september 2009 in zaak nrs. 09/670 en 09/142 in het geding tussen:

Agrimarkt

en

het college van burgemeester en wethouders van Goes.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het college aan Bage Groep B.V. vrijstelling voor de duur van tien jaar en bouwvergunning verleend ten behoeve van het verbouwen en uitbreiden van een bedrijfspand op het perceel Klein Frankrijk 31 (hierna: het perceel) te Goes.

Bij besluit van 19 januari 2009 heeft het college het door Agrimarkt daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door Agrimarkt daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Agrimarkt bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Agrimarkt heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben Bage Groep B.V., Ahold Vastgoed B.V., Albert Heijn B.V., Gall & Gall B.V en gedeputeerde staten van de provincie Zeeland (hierna: gedeputeerde staten) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2010, waar Agrimarkt, vertegenwoordigd door A.C. Lindenberg, bijgestaan door mr. R.E. Wannink, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Daniëlse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Bage Groep B.V., Ahold Vastgoed B.V., Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. (hierna alle tezamen: Bage Groep), vertegenwoordigd door mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. exploiteren thans een supermarkt met slijterij aan de Kolveniershof te Goes. Zij zijn voornemens deze vestiging te vervangen door een kleinere stadswinkel, omdat de Kolveniershof als gevolg van een herinrichting volgens hen niet meer geschikt is als locatie voor een volwaardige supermarkt. Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. beogen een nieuwe volwaardige supermarkt met slijterij te exploiteren in de nieuwbouwwijk "De Goese Schans", hetgeen naar hun verwachting binnen tien jaar mogelijk is. Tot die tijd wensen zij een volwaardige supermarkt te exploiteren in het bedrijfspand op het perceel. Teneinde een en ander mogelijk te maken en de vrijstelling te kunnen verkrijgen heeft Ahold Vastgoed B.V. zich bij overeenkomst van 30 oktober 2007 jegens de gemeente Goes onder meer verplicht om het door haar van de eigenaar Bage Groep B.V. te huren bedrijfspand uiterlijk tien jaar na het van kracht worden van het vrijstellingsbesluit gesloten te hebben en gesloten te houden. Zij zal dit pand vervolgens voor die periode ter beschikking stellen aan Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. Bage Groep B.V. heeft zich vervolgens bij overeenkomst van 6 november 2007 jegens de gemeente Goes onder meer verbonden zich te conformeren aan de tussen Ahold Vastgoed B.V. en de gemeente ter zake gesloten overeenkomst.

2.2. Het betoog van Agrimarkt dat de voorzieningenrechter Ahold Vastgoed B.V., Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. ten onrechte met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid heeft gesteld aan het geding deel te nemen, faalt. In de overeenkomsten van 30 oktober 2007 en 6 november 2007 is uitdrukkelijk bepaald dat Ahold Vastgoed B.V. het bedrijfspand van Bage Groep B.V. zal huren. Voorts blijkt uit het vrijstellingsbesluit, mede gelezen in samenhang met de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing, dat vrijstelling is verleend voor de door Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. te exploiteren supermarkt met slijterij. Gelet hierop hebben Ahold Vastgoed B.V., Albert Heijn B.V. en Gall & Gall B.V. een voldoende eigen belang bij de verleende vrijstelling en bouwvergunning en zijn zij door de voorzieningenrechter terecht als partij tot het geding toegelaten.

2.3. Het gebruik van het bedrijfspand ten behoeve van een supermarkt met slijterij is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Klein Frankrijk" aan het perceel toegekende bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "garagebedrijf". Teneinde het gebruik en de verbouwing van het bedrijfspand niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van de hem gedelegeerde bevoegdheid neergelegd in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor de duur van tien jaar vrijstelling verleend.

2.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Ingevolge artikel 15, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 19a, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, mogen aan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen.

2.5. Agrimarkt heeft terecht aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat het college de bouwaanvraag ten onrechte heeft aangevuld door aan de vrijstelling een geldigheidsduur van tien jaar te verbinden, maar dit betoog leidt gelet op het hiernavolgende niet tot het hiermee beoogde doel.

2.5.1. De beperking van de geldigheidsduur van de verleende vrijstelling tot een periode van tien jaar, dient te worden aangemerkt als een aan de vrijstelling verbonden voorwaarde in de zin van artikel 15, derde lid, van de WRO. Het college heeft de bouwaanvraag derhalve niet op onrechtmatige wijze aangevuld.

2.6. Agrimarkt heeft eveneens terecht aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat in het besluit van 19 september 2008 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet is vermeld voor welk gebruik vrijstelling is verleend. Dit betoog leidt evenwel niet tot het hiermee beoogde doel nu, zoals hiervoor onder 2.2. is overwogen, uit het besluit tot het verlenen van de vrijstelling blijkt dat deze betrekking heeft op het gebruik van het bedrijfspand ten behoeve van een supermarkt met slijterij.

2.7. Agrimarkt betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college in dit geval ten onrechte met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling voor een periode van tien jaar heeft verleend. Hiertoe voert zij aan dat in het bedrijfspand bouwactiviteiten zullen plaatsvinden. De in het pand aan te brengen bouwkundige veranderingen zijn niet op een eenvoudige wijze ongedaan te maken en hebben een permanent karakter. Het college had derhalve met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling moeten verlenen. Dit artikel biedt een betere waarborg van de tijdelijkheid. Voorts is aan de verleende bouwvergunning ten onrechte geen instandhoudingstermijn verbonden, aldus Agrimarkt

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr. 200703277/1) valt niet in te zien dat met toepassing van de, ten opzichte van de in artikel 17 van de WRO vervatte procedure, zwaardere procedure van artikel 19, eerste lid, van de WRO niet een tijdelijke vrijstelling kan worden verleend. Zoals Bage Groep terecht betoogt, zien de voor het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 17 van de WRO geldende wettelijke vereisten en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van de Afdeling niet op de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Dat neemt echter niet weg dat, indien voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project waarvoor krachtens laatstgenoemd artikellid vrijstelling voor een bepaalde termijn wordt verleend de tijdelijkheid van essentieel belang is, in hoge mate waarschijnlijk dient te zijn dat de desbetreffende afwijking van het geldende bestemmingsplan inderdaad niet langer dan de gestelde termijn zal duren. Volgens de ruimtelijke onderbouwing die aan de verleende vrijstelling ten grondslag is gelegd, is op het perceel vestiging van een supermarkt met slijterij ruimtelijk aanvaardbaar geacht omdat deze vestiging maximaal tien jaar geopend zal blijven. Ook gedeputeerde staten achten blijkens de verleende verklaring van geen bezwaar bedoelde vestiging, die afwijkt van het provinciale detailhandelsbeleid, uitsluitend toelaatbaar als deze niet langer dan tien jaar in stand zal worden gehouden. Uit het voorgaande volgt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van het bedrijfspand als supermarkt met slijterij onlosmakelijk met de tijdelijkheid van deze voorziening is verbonden.

De omstandigheid dat de krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling voor een periode van maximaal tien jaar is verleend, biedt op zichzelf onvoldoende waarborg dat sprake is van een tijdelijke situatie. Verder heeft het college ter zitting ter onderbouwing van de tijdelijkheid van de beoogde vestiging slechts verwezen naar de inhoud van de overeenkomsten van 30 oktober 2007 en 6 november 2007. De verwijzing naar deze privaatrechtelijke overeenkomsten, zonder dat andere objectieve gegevens voorhanden zijn die het tijdelijke karakter ondersteunen, is evenwel niet toereikend om in voldoende mate waarschijnlijk te achten dat de supermarkt met slijterij bij ommekomst van de gestelde termijn niet meer in het bedrijfspand op het perceel zal zijn gevestigd. Daar komt nog bij dat ter zitting is gebleken dat de beoogde nieuwe locatie in de nieuwbouwwijk "De Goese Schans" waarschijnlijk zal worden aanbesteed en concrete aanknopingspunten op grond waarvan duidelijk is dat de supermarkt met slijterij daadwerkelijk aldaar zal kunnen worden gevestigd, ontbreken. Gelet op het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte aannemelijk gemaakt geacht dat de beoogde supermarkt met slijterij op het perceel na ommekomst van de gestelde termijn van tien jaar zal worden gesloten. De voorzieningenrechter is derhalve ten onrechte tot de slotsom gekomen dat het college in dit geval met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling voor een periode van tien jaar kon verlenen.

Het betoog slaagt.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene, behoeft hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd geen bespreking.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 januari 2009 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

2.10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 10 september 2009 in zaak nrs. 09/670 en 09/142 voor zover daarbij het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goes van 19 januari 2009, kenmerk 2008/06487;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goes tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Agrimarkt B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goes aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Agrimarkt B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

357-593.