Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
200905970/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Franekeradeel bij besluit van 4 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Franeker-Oost en Schalsumerplan".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905970/1/R3.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Franekeradeel bij besluit van 4 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Franeker-Oost en Schalsumerplan".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2010, waar [appellante sub 1] en anderen, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Voorts is de raad, vertegenwoordigd door C. Tasma en J.J. de Wit, beiden werkzaam bij de gemeente, ter zitting verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Bestemmingsplan "Franeker-Oost en Schalsumerplan" voorziet in een planologisch-juridische regeling voor de gebieden industrieterrein Oost, Stationsbuurt, Franeker-Oost en Schalsumerplan. Het plan heeft hoofdzakelijk een conserverend karakter, doch maakt een aantal nieuwe ontwikkelingen mogelijk waarin de voorheen geldende plannen niet voorzagen, waaronder de ontwikkeling van de locatie van de voormalige landbouwschool op het perceel aan de Mr. G. Groen van Prinstererlaan.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Beroep [appellante sub 1] en anderen

2.3. [appellante sub 1] en anderen betogen ten aanzien van de in het plan opgenomen bestemming "Wonen-Woongebouw-Uit te werken" voor het perceel van de voormalige landbouwschool aan de Mr. G. Groen van Prinstererlaan dat de in artikel 21.2 van de planvoorschriften opgenomen uitwerkingsregels onvoldoende bescherming bieden en aanmerkelijk afwijken van het voorheen geldende plan. Daarbij wijzen zij erop dat onder het voorheen geldende plan ter plaatse een maximaal toegestane bouwhoogte gold van 4,25 m binnen het bouwvlak.

Daarnaast zijn de voorwaarden uit artikel 21.2 van de planvoorschriften niet met elkaar te verenigen, aldus [appellante sub 1] en anderen. Zij achten de voorwaarden dat ten hoogste 10 woningen in ten hoogste 3 bouwlagen met een maximale hoogte van 10 m in het bouwvlak gebouwd mogen worden onverenigbaar met de voorwaarde dat er geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en het parkeren op eigen erf.

Voor het bebouwingsbeeld is volgens hen niet van belang dat voor de omliggende gebouwen, die zijn gelegen op gronden met de bestemming "Wonen-1", een maximale bouwhoogte van 9 m geldt, maar dat de werkelijke hoogte van de omliggende woningen 7 m bedraagt. Zij verwijzen naar artikel 17.2 van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan, waarin volgens hen is bepaald dat na de toepassing van de bevoegdheid tot wijziging van de bestemming "Bijzondere doeleinden" in de bestemming "Woondoeleinden" voor de betreffende gronden de bepalingen van artikel 4 gelden, welke zien op woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een vrij beroep, waarbij een maximale hoogte van de bouwwerken van 5 m geldt.

Volgens [appellante sub 1] en anderen ontbreekt ten onrechte een bouwvlak en een bebouwingspercentage in het plan. Dit bouwvlak zou volgens hen vastgesteld moeten worden, afhankelijk van in overleg met belanghebbenden op te stellen randvoorwaarden, herstel van zichtlijnen en parkeervoorzieningen.

Voorts stellen [appellante sub 1] en anderen dat de huidige verkeerssituatie met betrekking tot het parkeren in de Mr. G. Groen van Prinstererlaan in geval van calamiteiten problematisch kan zijn. De extra woningen op het betreffende perceel en de daarvoor extra benodigde parkeergelegenheid versterken dit probleem, aldus [appellante sub 1] en anderen.

Tot slot zijn [appellante sub 1] en anderen van mening dat er ten onrechte geen alternatieve, kleinschaligere opzet is onderzocht. Nu de door de raad beoogde woningcorporatie aan heeft gegeven af te zien van de plannen op het betreffende perceel, is er volgens [appellante sub 1] en anderen geen noodzaak meer om aan de in artikel 21.2 van de planvoorschriften opgenomen voorwaarden vast te houden.

2.3.1. Het college acht hetgeen de uitwerkingsregels van de bestemming "Wonen-Woongebouw-Uit te werken" voor het perceel van de voormalige landbouwschool aan de Mr. G. Groen van Prinstererlaan mogelijk maken, aanvaardbaar wat het bebouwingsbeeld betreft. Gezien de oppervlakte van het terrein, circa 2.000 m², acht het college een maximaal toegestaan aantal van 10 woningen aanvaardbaar. Voorts past ook de bouwhoogte in de omgeving, waar maximale bouwhoogten van 9 m zijn toegestaan, aldus het college.

Voorts acht het college de in het plan opgenomen uitwerkingsplicht ten opzichte van het voorheen geldende plan geen verslechtering. Onder het voorheen geldende plan bestond een tamelijk ongeclausuleerde wijzigingsmogelijkheid voor het perceel, aldus het college. Volgens het college stonden het aantal woningen en de bouwhoogte niet vast. Niet alleen kunnen de begrenzingen onder het nieuwe plan veel restrictiever uitpakken, tevens moet nu rekening worden gehouden met onder andere het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, aldus het college.

2.3.2. De raad betoogt dat aan de in artikel 21.2.1 opgenomen uitwerkingsregels, gezien de ligging en grootte van het perceel goed kan worden voldaan. Hierbij zal, zoals datzelfde artikel vereist, geen afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De regel dat in maximaal drie bouwlagen gebouwd mag worden, wordt door de raad gezien als een passende begrenzing van het te bouwen object om een onevenredige afbreuk aan het bestaande straat- en bebouwingsbeeld te voorkomen.

De raad voert aan dat er op het betreffende perceel geen bouwvlak of bouwpercentage opgenomen is, om in het uitwerkingsplan in de nodige flexibiliteit te kunnen voorzien. Volgens hem wordt de ruimtelijke kwaliteit door de uitwerkingsregels in voldoende mate gewaarborgd.

Wat de verkeerssituatie op de Mr. G. Groen van Prinstererweg betreft betoogt de raad dat het onder het huidige plan mogelijk is een school op het betreffende perceel te vestigen. Dit brengt een veel grotere verkeersdruk met zich mee dan maximaal tien appartementen, waarvoor bovendien ingevolge artikel 21.2.1 van de planvoorschriften geldt dat geparkeerd moet worden op het eigen terrein, aldus de raad.

2.3.3. Voor zover het beroep ziet op het uitwerkingsplan, overweegt de Afdeling dat dat plan in deze procedure niet aan de orde is.

2.3.4. Ingevolge artikel 21.2.1 van de planvoorschriften werkt het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die in lid 21.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

a. er zullen ten hoogste 10 woningen worden gerealiseerd;

b. er zal in ten hoogste 3 bouwlagen worden gebouwd;

c. het parkeren dient op eigen erf plaats te vinden;

d. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Ingevolge artikel 21.2.2 geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepaling: de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 10 m bedragen.

2.3.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat de in artikel 21.2.1, onder c, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat er geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en het parkeren op eigen erf, onverenigbaar is met de overige in dat artikel genoemde voorwaarden, overweegt de Afdeling dat die overige voorwaarden een begrenzing geven van het maximale aantal woningen en bouwlagen, doch dat het artikel aan het college van burgemeester en wethouders de ruimte laat om na afweging van de in artikel 21.2.1, onder c, van de planvoorschriften genoemde factoren te kiezen voor een kleiner aantal woningen of bouwlagen. Reeds hierom zijn de in artikel 21.2.1 opgenomen voorwaarden niet onverenigbaar met elkaar.

De maximale bouwhoogte van het woongebouw binnen de bestemming "Wonen-Woongebouw-Uit te werken" is niet 10 m, zoals [appellante sub 1] en andere betogen, maar wordt beperkt door het in artikel 21.2.1 van de planvoorschriften maximaal toegestane aantal bouwlagen. Ingevolge artikel 21.2.2 van de planvoorschriften geldt een bouwhoogte van 10 m namelijk alleen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van drie bouwlagen passend is, gelet op de in de omgeving geldende maximale bouwhoogte. De omliggende gebouwen aan de Mr. G. Groen van Prinstererweg liggen alle op gronden met de bestemming "Wonen-1" waarvoor, ingevolge artikel 16.2.1, aanhef en onder f, een maximale bouwhoogte geldt van 9 m. Dat de werkelijke hoogte van de in de omgeving liggende woningen 7 meter zou zijn, zoals [appellante sub 1] en anderen stellen, doet niet aan af aan de redelijkheid van het standpunt van het college. Voor zover [appellante sub 1] en anderen verwijzen naar de in het voorheen geldende plan voor de bestemming "Woondoeleinden" opgenomen bouwhoogte van 5 meter voor gebouwen, overweegt de Afdeling dat deze bouwhoogte ingevolge artikel 4, onder B, onder 5, geldt voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, en derhalve niet voor gebouwen.

Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de waarborgen die de in artikel 21.2.1 opgenomen uitwerkingsregels bieden ten aanzien van de omvang van het woongebouw, het ontbreken van een bouwvlak en een bebouwingspercentage niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellante sub 1] en anderen als gevolg van het plan gevreesde verkeersproblemen bij calamiteiten zich niet zullen voordoen, nu in artikel 21.2.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften de voorwaarde is gesteld dat het parkeren op het eigen erf dient plaats te vinden.

Ook in hetgeen overigens is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover dat ziet op de bestemming "Wonen-Woongebouw-Uit te werken" voor het perceel van de voormalige landbouwschool aan de Mr. G. Groen van Prinstererlaan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Beroep [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2] betoogt dat de bestemming "Detailhandel" van het perceel A. van Voorthuijsenweg 36 gewijzigd dient te worden. Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van supermarkten. [appellant sub 2] voert aan dat dit een te grote verruiming van de mogelijke toekomstige functies vormt, nu de voor "Detailhandel" aangewezen gronden onder het voorheen geldende plan waren bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van voedings- en genotmiddelen. Deze verruiming kan volgens [appellant sub 2] voor hem als bewoner van het naastgelegen perceel nadelige gevolgen hebben en betekent dus een verslechtering ten opzichte van de situatie onder het voorheen geldende plan.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de soorten detailhandel die zich onder het voorheen geldende plan niet, maar na de verruiming van de planvoorschriften wel kunnen vestigen op voor "Detailhandel" aangewezen gronden, nauwelijks overlast zullen bezorgen. Er treedt, aldus het college, geen verslechtering op ten opzichte van het voorheen geldende plan.

2.4.2. Ook hier geldt onverkort hetgeen de Afdeling hiervoor onder 2.3.5 heeft overwogen. [appellant sub 2] kan aan het voorheen geldende plan geen blijvende rechten ontlenen. In dit geval is bij het plan aan de gronden van het perceel A. van Voorthuijsenweg 36 de bestemming "Detailhandel" toegekend, waardoor deze gronden, gelet op artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, bestemd zijn voor gebouwen ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van supermarkten. Nu de bestemming de vestiging van supermarkten derhalve uitsluit, ziet de Afdeling in de enkele omstandigheid dat het plan, anders dan het voorheen geldende plan, de verkoop van voedings- en genotmiddelen mogelijk maakt, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze bestemming in dit geval geen onevenredige overlast zal veroorzaken.

Conclusie

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

288-653.