Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM8780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
201003842/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van Gansewinkel Nederland B.V. Regio Zuid-Holland (hierna: Van Gansewinkel) voor de duur van tien jaar een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en deels grof voorsorteren van bouw- en sloopafval en stedelijk afval op het adres Lageweg 1 te Katwijk (ZH), gemeente Katwijk. Dit besluit is op 8 maart 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2835
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003842/2/M1.

Datum uitspraak: 14 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van Gansewinkel Nederland B.V. Regio Zuid-Holland (hierna: Van Gansewinkel) voor de duur van tien jaar een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en deels grof voorsorteren van bouw- en sloopafval en stedelijk afval op het adres Lageweg 1 te Katwijk (ZH), gemeente Katwijk. Dit besluit is op 8 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 mei 2010, waar [verzoeker], in persoon, bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag en ir. J.F.C. Kupers, deskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. ir. H.C.A.M. Vermeulen en ing. R.D. van Weerd, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord Van Gansewinkel, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, L.A. de Vos, ir. A.J.M. Schipperen en ing. G. van Pelt, het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, vertegenwoordigd door mr. A.M. Bos, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende] en anderen, van wie [belanghebbende] in persoon.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het college voor de inrichting krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend. De Afdeling heeft dit besluit bij uitspraak van 23 december 2009 in zaak nr. 200809438/1/M1 vernietigd, omdat - kort weergegeven - in het akoestisch onderzoek bij de aanvraag, waarop het college zich bij het nemen van dat besluit heeft gebaseerd, de straffactor voor het geluid van de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens van derden onjuist is toegepast en omdat in verband met de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting in het akoestisch onderzoek niet de binnenshuis optredende geluidbelasting van het totale wegverkeer is berekend, zodat niet duidelijk is of de geluidbelasting van het totale wegverkeer onder de 35 dB(A) blijft.

Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw op de aanvraag beslist. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit zijn nieuwe geluidberekeningen uitgevoerd. Bij het nemen van het bestreden besluit heft het college zich op deze berekeningen gebaseerd.

2.3. [verzoeker] voert aan dat voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten worden gelegd.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval kon worden afgezien van het opstellen en ter inzage leggen van een nieuw ontwerpbesluit.

2.3.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 6 augustus 2008 in zaak nr. 200708134/1, staat het het bevoegd gezag in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter in beginsel vrij om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit het oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en de ernst van de gebreken die tot de vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerste procedure, en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit zijn nieuwe geluidberekeningen uitgevoerd, waarin de straffactor voor de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens van derden ruimer is toegepast en de geluidbelasting van het totale wegverkeer alsnog is onderzocht. Voorts is in deze geluidberekeningen de hoogte van de geluidmuur aangepast tot 5 meter in plaats van 5,2 meter.

De voorzitter ziet in deze omstandigheid vooralsnog geen grond voor het oordeel dat in dit geval uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit een nieuw ontwerpbesluit had moeten worden opgesteld en ter inzage had moeten worden gelegd.

In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Voor zover [verzoeker] heeft aangevoerd dat het college in het bestreden besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt welke wijzigingen ten opzichte van het besluit van 30 oktober 2008 zijn aangebracht, overweegt de voorzitter dat deze grond is gericht tegen de overwegingen van het bestreden besluit.

In zoverre bestaat daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. [verzoeker] heeft ter zitting aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte een revisievergunning voor de inrichting is verleend.

Uit het bestreden besluit blijkt evenwel dat het college de aanvraag heeft beoordeeld als een aanvraag om een oprichtingsvergunning, omdat de eerder voor de inrichting verleende vergunningen op 14 juli 2007 reeds waren geëxpireerd. Het verzoek mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.6. [verzoeker] voert aan dat het college bij het nemen van het bestreden besluit rekening had moeten houden met hetgeen is bepaald in de Crisis- en Herstelwet. Dit is volgens hem in het bijzonder van belang in verband met de toetsing van de geluidbelasting aan de zonegrenswaarde van het gezoneerde industrieterrein waarop de inrichting is gelegen; op dit punt is de Wet geluidhinder als gevolg van de inwerkingtreding van de Crisis- en Herstelwet gewijzigd.

2.6.1. De Crisis- en Herstelwet is op 31 maart 2010 - en derhalve na het nemen van het bestreden besluit - in werking getreden. Nu deze wetswijziging geen terugwerkende kracht heeft, bestond voor het college een bevoegdheid noch een verplichting om bij het nemen van het bestreden besluit rekening te houden met de bepalingen van de Crisis- en Herstelwet. Voorts is de voorzitter van oordeel dat geen rechtsregel is aan te wijzen die zich ertegen verzet dat het college kort voor de inwerkingtreding van de Crisis- en Herstelwet opnieuw op de aanvraag heeft beslist.

Ook in zoverre ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.8. [verzoeker] betoogt dat de activiteiten in de inrichting vallen onder milieucategorie 4.2 als bedoeld in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten van maart 2009 (hierna: de VNG-Handreiking). Gelet hierop had volgens hem een afstand van ten minste 300 meter tot woningen van derden in acht moeten worden genomen.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat binnen de inrichting in de open lucht uitsluitend activiteiten worden uitgevoerd die overeenkomen met milieucategorie 3 als bedoeld in de VNG-Handreiking. Nu de meest milieubelastende activiteiten alle inpandig worden verricht, kan feitelijk niet worden gesproken van een bedrijf van milieucategorie 4.2, aldus het college.

2.8.2. De VNG-Handreiking bevat geen bindende normen en is bovendien primair bedoeld voor gebruik in het kader van de besluitvorming omtrent de ruimtelijke ordening. Reeds hierom ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de aanbevelingen uit de VNG-Handreiking aan de verlening van de thans ter beoordeling staande vergunning op grond van de Wet milieubeheer in de weg staan, nog daargelaten de vraag of de inrichting daadwerkelijk moet worden beschouwd als een bedrijf van milieucategorie 4.2 als bedoeld in de VNG-Handreiking.

2.9. [verzoeker] voert een aantal gronden aan over geluidhinder vanwege de inrichting.

In de eerste plaats betoogt [verzoeker] dat de geluidberekeningen waarop het college zich heeft gebaseerd, gebreken bevatten en op onjuiste uitgangspunten berusten. Nu het college deze berekeningen bij het stellen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau als uitgangspunt heeft gehanteerd, kunnen de grenswaarden volgens [verzoeker] niet worden nageleefd. Zijn bezwaren tegen de geluidberekeningen betreffen onder meer de gehanteerde bronvermogens voor de vrachtwagens en voor verschillende handelingen met containers, de gehanteerde bronhoogte bij handelingen met containers - mede in relatie tot de hoogte van het geluidscherm -, de aannames omtrent de verhouding tussen het aantal eigen vrachtwagens en vrachtwagens van derden met achteruitrijdsignalering en de gehanteerde bedrijfstijd voor de shovel en voor het stationair draaien van motoren. Daarnaast is volgens [verzoeker] in de geluidberekeningen onvoldoende rekening gehouden met de hoogte van de maximale geluidniveaus ter plaatse van woningen bij een ongunstige windrichting.

Daarnaast stelt [verzoeker] onder meer dat de vergunde toename van de capaciteit van de inrichting tot gevolg heeft dat het aantal vrachtwagenbewegingen sterk zal stijgen. In verband daarmee stelt hij zich tevens op het standpunt dat een tellersysteem had moeten worden voorgeschreven om te waarborgen dat niet meer vrachtwagenbewegingen plaatsvinden dan op grond van de vergunning is toegestaan. Voorts betoogt [verzoeker] dat het college rekening had moeten houden met de cumulatieve effecten van de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door andere inrichtingen op het gezoneerde industrieterrein. Verder zijn volgens hem de gevolgen van reflectie van geluid van schepen op het Uitwateringskanaal tegen de geluidmuur ten onrechte niet onderzocht; het aanbrengen van beplanting tegen de geluidmuur werkt volgens [verzoeker] onvoldoende tegen de weerkaatsing van dat geluid.

2.9.1. Het college heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op de nieuwe geluidberekeningen die naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 zijn uitgevoerd. Deze berekeningen vormen een aanvulling en ten dele een correctie op het akoestisch onderzoek dat bij de aanvraag is gevoegd. In de nieuwe geluidberekeningen is de straffactor voor de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens ruimer toegepast. Tevens is uitgegaan van een geluidmuur met een hoogte van 5 meter, terwijl in het akoestisch onderzoek bij de aanvraag nog met een hoogte van 5,2 meter is gerekend. Blijkens het bestreden besluit is voor de overige geluidbronnen en omgevingskenmerken uitgegaan van de bedrijfssituatie zoals omschreven in het akoestisch rapport dat bij de aanvraag is gevoegd.

Op grond van de nieuwe geluidberekeningen heeft het college geconcludeerd dat de vergunning kan worden verleend.

2.9.2. Voor zover [verzoeker] heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de reflectie van het scheepvaartgeluid door de geluidmuur alsmede met de cumulatie van geluid afkomstig van andere inrichtingen op het gezoneerde industrieterrein, overweegt de voorzitter dat de Afdeling in de uitspraak van 23 december 2009 reeds een oordeel heeft gegeven over deze onderwerpen. De voorzitter ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel.

De voorzitter overweegt voorts dat uit het bestreden besluit volgt dat niet meer vrachtwagenbewegingen zijn vergund dan het aantal dat is vermeld in de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning. Voor zover [verzoeker] vreest dat de vergunning op dit punt niet zal worden nageleefd, betreft deze grond niet het thans ter beoordeling staande besluit. Voorts ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een tellersysteem noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of de vergunning in dit opzicht wordt nageleefd.

In de geluidberekeningen is uitgegaan van de aangevraagde bedrijfstijd van de shovel. Een langere bedrijfstijd is niet vergund, zodat niet kan worden geoordeeld dat het college op dit punt niet van de geluidberekeningen had mogen uitgaan. Voor zover [verzoeker] vreest dat de vergunning niet zal worden nageleefd, heeft deze grond geen betrekking op het ter beoordeling staande besluit.

Voor het overige overweegt de voorzitter ten aanzien van de geluidberekeningen het volgende. Op grond van hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd is het de voorzitter vooralsnog niet aannemelijk geworden dat de geluidberekeningen die voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit zijn uitgevoerd zodanige gebreken of onjuistheden bevatten, dat het college zich niet op deze gegevens heeft kunnen baseren. In dat verband is onder meer van belang dat in de nieuwe geluidberekeningen ten aanzien van onder meer de bronvermogens van de vrachtwagens en verschillende handelingen met containers en de bronhoogte bij handelingen met containers van dezelfde uitgangspunten is uitgegaan als in het akoestisch rapport dat aan het besluit van 30 oktober 2008 ten grondslag is gelegd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 december 2009 niet geoordeeld dat het akoestisch onderzoek op deze punten onjuist of ontoereikend is. Gelet hierop kan naar het oordeel van de voorzitter in zoverre vooralsnog van de juistheid van de gehanteerde uitgangspunten worden uitgegaan. Voor het overige is de voorzitter van oordeel dat de beoordeling van de toereikendheid van de geluidberekeningen, mede gezien het technische karakter van een aantal van de door [verzoeker] naar voren gebrachte bezwaren, nader onderzoek vergt waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent.

Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet aannemelijk geworden dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. In zoverre bestaat daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.10. [verzoeker] voert voorts aan dat onvoldoende is gewaarborgd dat de demontabele geluidmuur niet wordt verwijderd.

2.10.1. Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit, maar betreft slechts de naleving van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, aangezien vaststaat dat de geluidgrenswaarden zonder de geluidmuur niet kunnen worden nageleefd. Reeds hierom ziet de voorzitter ook in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.11. Voor zover [verzoeker] gronden heeft aangevoerd met betrekking tot de bouwvergunning voor de geluidmuur, overweegt de voorzitter dat de bouwvergunning in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat.

2.12. Ingevolge voorschrift 4.1.10 moet vergunninghoudster binnen één maand na inwerkingtreding van de vergunning een protocol met gedragsregels ter voorkoming van geluidhinder hebben opgesteld en aan het bevoegd gezag hebben overgelegd. Dit protocol moet ten minste de gedragsregels bevatten zoals deze zijn opgenomen in paragraaf C.3.5 "Protocol met gedragsregels" van de considerans van de vergunning.

Ingevolge voorschrift 4.1.11 moet het in voorschrift 4.1.10 genoemde protocol minimaal eenmaal per jaar tijdens een bijeenkomst worden gecommuniceerd met eigen personeel en moet het duidelijk leesbaar en op een aantal goed waarneembare locaties binnen de inrichting worden opgehangen en aan vrachtwagenchauffeurs van derden (voor zover zij nog niet bekend zijn met de gedragsregels in het protocol) worden uitgereikt bij het oprijden van de inrichting. Het protocol dient te worden nageleefd binnen de inrichting.

2.12.1. [verzoeker] kan zich niet met deze voorschriften verenigen. Hij betoogt onder meer dat de invulling van het protocol ten onrechte wordt overgelaten aan vergunninghoudster, dat ten onrechte een termijn van één maand wordt gegund voor het opstellen van het protocol en dat één bijeenkomst per jaar met het personeel, zoals bedoeld in voorschrift 4.1.11, onvoldoende is. Daarnaast betoogt [verzoeker] dat sancties op het niet-naleven van het protocol ontbreken.

2.12.2. In voorschrift 4.1.10 wordt verwezen naar paragraaf C.3.5 van de considerans van het bestreden besluit. Paragraaf C.3.5 bevat een opsomming van gedragingen en instructies die in het gedragsprotocol moeten worden opgenomen. Het betreft onder meer gedragsregels met betrekking tot de rijsnelheid en rijrichting op het terrein, claxonneren, stationair draaien van motoren, handelingen met containers en het gesloten houden van deuren. Deze gedragingen en instructies zijn tevens opgenomen in de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning. Anders dan [verzoeker] heeft betoogd, is derhalve naar het oordeel van de voorzitter in de vergunning voldoende duidelijk omschreven over welke onderwerpen in het gedragsprotocol in ieder geval regels moeten worden opgenomen. Voorts overweegt de voorzitter dat het gedragsprotocol niet dient ter vervanging van voorschriften in de vergunning, maar als aanvulling daarop, en als doel heeft de naleving van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften te verzekeren. Op grond van hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat dit doel niet kan worden bereikt door middel van de in voorschrift 4.1.11 voorgeschreven communicatie met het personeel en met derden die de inrichting bezoeken. Voorts volgt uit de laatste volzin van voorschrift 4.1.11 dat vergunninghoudster verantwoordelijk is voor de naleving van het gedragsprotocol. Tegen niet-naleving van het gedragsprotocol kan derhalve door het college handhavend worden opgetreden. Dit betreft mede de naleving van het gedragsprotocol door vrachtwagenchauffeurs die de inrichting bezoeken.

De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.13. In voorschrift 4.1.8 is bepaald dat binnen drie maanden na inwerkingtreding van de vergunning een geluidrapport aan Gedeputeerde Staten moet worden overgelegd. In dit geluidrapport moet door middel van geluidmetingen aan Gedeputeerde Staten worden gerapporteerd of aan de geluidvoorschriften wordt voldaan. Indien niet aan de geluidvoorschriften wordt voldaan, mogen de activiteiten die de overschrijding veroorzaken niet eerder plaatsvinden dan nadat de overschrijding ongedaan is gemaakt. Het rapport moet daartoe een plan bevatten waarin wordt aangegeven op welke wijze aan de geluidvoorschriften zal worden voldaan.

2.13.1. [verzoeker] voert aan dat de in voorschrift 4.1.8 vermelde termijn van drie maanden voor het overleggen van een geluidrapport te lang is. Volgens hem dient het onderzoek vooraf te worden verricht.

2.13.2. Uit artikel 8.12, vierde en zesde lid, van de Wet milieubeheer, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat voor inrichtingen waartoe geen gpbv-installatie behoort, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, aan die vergunning ook voorschriften kunnen worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.13.3. Voorschrift 4.1.8 is een voorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde en zesde lid, van de Wet milieubeheer. Dit voorschrift heeft tot doel te bepalen of bij het in werking zijn van de inrichting daadwerkelijk wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden die in de vergunningvoorschriften zijn neergelegd. Het voorgeschreven onderzoek vormt derhalve een aanvulling op de geluidonderzoeken die voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit reeds zijn uitgevoerd. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het geluidrapport als bedoeld in voorschrift 4.1.8 voorafgaand aan het in werking nemen van de inrichting moet worden opgesteld en overgelegd. Voorts ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de in voorschrift 4.1.8 gestelde termijn van drie maanden voor het opstellen van een geluidrapport als bedoeld in dat voorschrift onredelijk lang is.

Ook in zoverre ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.14. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Teuben

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2010

483.