Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200907125/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit met kenmerk 08-0021554, verzonden op 31 juli 2008, heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rica Engineering B.V. in verband met de door hen ondervonden geluidoverlast vanwege het tunen van auto's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907125/1/M2.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit met kenmerk 08-0021554, verzonden op 31 juli 2008, heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rica Engineering B.V. in verband met de door hen ondervonden geluidoverlast vanwege het tunen van auto's.

Bij besluit met kenmerk 09-0034694, verzonden op 4 augustus 2009, heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar door [appellanten] gegrond verklaard. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft het college twee extra geluidmetingen uitgevoerd en deze tevens aan het besluit met kenmerk 08-0021554 ten grondslag gelegd. Dit besluit is in stand gelaten.

Tegen het besluit met kenmerk 09-0034694 hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2010, waar [een van de appellanten], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door T.J.E. Lodders en W.M. van der Vlis, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren - kort weergegeven - aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten ten aanzien van Rica Engineering B.V. afwijkende geluidgrenswaarden vast te stellen dan wel maatregelen voor te schrijven ter beperking van de geluidbelasting. Voorts zijn volgens hen door Rica Engineering B.V. tegenstrijdige opmerkingen gemaakt.

2.1.1. De Afdeling overweegt dat de huidige procedure betrekking heeft op de afwijzing van een verzoek om handhaving van ingevolge het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit algemene regels) voor de inrichting van Rica Engineering B.V. geldende milieuvoorschriften. De onder 2.1 genoemde gronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van deze afwijzing, en kunnen reeds daarom niet slagen.

2.2. [appellanten] voeren aan dat ten onrechte niet handhavend wordt opgetreden tegen het met open deuren proefdraaien van motoren. Volgens hen is dit gelijk te stellen met het proefdraaien van motoren in de buitenlucht. Op grond van artikel 4.84, derde lid, van het Besluit algemene regels is dit niet toegestaan.

2.2.1. Het proefdraaien van de motoren vindt plaats in het bedrijfspand van de inrichting. Dit is niet in de buitenlucht, ook niet op tijdstippen waarop de deuren van het pand bij het proefdraaien open staan. Artikel 4.84 van het Besluit algemene regels wordt niet overtreden.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellanten] voeren voorts aan dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geluidrapporten van 5 juni 2008, 8 juli 2009 en 15 juli 2009 ondeugdelijk zijn. Ten gevolge hiervan staat volgens hen niet vast dat de geldende geluidgrenswaarden van het Besluit algemene regels niet worden overschreden. Zij merken hiertoe onder meer op dat de aan de geluidrapporten ten grondslag gelegde geluidmetingen niet conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn uitgevoerd.

2.3.1. Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geluidrapporten niet deugdelijk zijn. Het heeft daarom besloten om Ardea Acoustics & Consult een nieuwe geluidmeting te laten uitvoeren.

2.3.2. Gelet hierop heeft het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaard.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd.

2.5. De Afdeling zal in het navolgende evenwel onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, omdat volgens het college het rapport van 27 april 2010 dat Ardea Acoustics & Consult naar aanleiding van de in rechtsoverweging 2.3.1 genoemde nieuwe geluidmeting heeft opgesteld, bevestigt dat de geldende geluidgrenswaarden niet worden overschreden, zodat het niet bevoegd is om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen.

2.6. [appellanten] hebben ter zitting aangevoerd dat de in het geluidrapport van 27 april 2010 weergegeven meetresultaten niet betrouwbaar zijn. Zij merken hiertoe op dat de geluidbelasting van de auto die ten tijde van de geluidmeting werd getest, niet representatief is voor de geluidbelasting van het tunen van de auto's waarvan door hen hinder wordt ondervonden. Voorts gaat het geluidrapport er volgens hen ten onrechte van uit dat een zogenoemde run die in het kader van het tunen wordt uitgevoerd slechts 45 seconden duurt. In dit verband wijzen zij op een in opdracht van Rica door Witteveen en Bos opgesteld geluidrapport van 27 oktober 2003. Dit rapport gaat uit van een duur van 1,5 minuut per run. Daarnaast is volgens hen onjuist, dat zoals Rica volgens hen stelt, het tunen van auto's alleen kan plaatsvinden met open deuren vanwege de benodigde koeling van de ruimte en de vrijkomende uitlaatgassen.

2.6.1. In het geluidrapport van 27 april 2010 is vermeld dat ten tijde van de geluidmeting een auto van het merk Honda in sportuitvoering werd getuned. Deze auto heeft een gemiddeld bronvermogen van 119,5 dB(A). Deze waarde is volgens dit geluidrapport gelijk aan het bronvermogen dat is gehanteerd in het akoestisch onderzoek van Witteveen en Bos van 27 oktober 2003, waarnaar [appellanten] verwijzen. Volgens het geluidrapport van 27 april 2010 blijkt uit metingen en berekeningen dat de geluidemissie van een Honda sportwagen overeenkomt met waarden die in de literatuur worden gegeven voor een racewagen. Voorts is opgemerkt dat elke testrun ongeveer 30 seconden duurde.

2.6.2. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de geluidbelasting vanwege het tunen van een auto van het merk Honda in sportuitvoering niet representatief is voor de geluidbelasting vanwege het tunen van de auto's waarvan zij hinder ondervinden. Voorts hebben zij met de enkele verwijzing naar het geluidrapport van Witteveen en Bos van 27 oktober 2003 niet aannemelijk gemaakt dat een testrun gewoonlijk langer duurt dan de waargenomen 30 seconden. De door [appellanten] gestelde omstandigheid dat het tunen van auto's met gesloten deuren zou kunnen plaatsvinden, leidt niet tot het oordeel dat de meting van de geluidbelasting tekortkomingen vertoont.

2.6.3. Gezien de in het rapport van 27 april 2010 genoemde waarden, worden de voor de inrichting ingevolge het Besluit algemene regels geldende geluidgrenswaarden niet overschreden. Het college is gelet hierop in zoverre niet bevoegd om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Het nieuwe besluit dat het college op het door [appellanten] gemaakte bezwaar dient te nemen, zal daarom slechts kunnen strekken tot het wederom in stand laten van de afwijzing van het verzoek om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. De Afdeling ziet daarin aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland met kenmerk 09-0034694;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

262-578.