Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200905646/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 20 mei 2009, in zaak nr. 200802036/1, heeft de Afdeling het besluit van het college van 5 februari 2008, waarbij aan de vereniging Motorcrossclub Zuidwolde (hierna: de motorcrossclub) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein voor meer dan acht uur per week op het perceel, kadastraal bekend gemeente Zuidwolde, sectie B, nummer 4415, en sectie A, nummers 1656 en 2377 (gedeeltelijk), vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 43K
Milieurecht Totaal 2010/549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905646/1/M1.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting Stichting Milieufederatie Drenthe, gevestigd te Assen (hierna: de Stichting),

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 20 mei 2009, in zaak nr. 200802036/1, heeft de Afdeling het besluit van het college van 5 februari 2008, waarbij aan de vereniging Motorcrossclub Zuidwolde (hierna: de motorcrossclub) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein voor meer dan acht uur per week op het perceel, kadastraal bekend gemeente Zuidwolde, sectie B, nummer 4415, en sectie A, nummers 1656 en 2377 (gedeeltelijk), vernietigd.

Bij besluit van 17 juni 2009 heeft het college met inachtneming van genoemde uitspraak van de Afdeling de door de motorcrossclub gevraagde vergunning opnieuw verleend. Het besluit is op 25 juni 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, en [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2010, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. M.T. Hoen, advocaat te Assen, en E.H. Harteveld, [appellant sub 1], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. B. Arentz, ing. K.S. van der Wal en G. Eleveld, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de motorcrossclub, vertegenwoordigd door E. Posthumus, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de vergunning in afwijking van het eerste lid tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. De vergunning heeft betrekking op het gebruik van het motorcrossterrein voor trainingen gedurende een periode van maximaal vier uur tijdens de dagperiode op woensdag, zaterdag en zondag. Naast trainingen worden maximaal acht keer per jaar trainingswedstrijden dan wel clubwedstrijden gehouden. De vergunning voorziet in de mogelijkheid deze trainingswedstrijden ook buiten de openingstijden van de inrichting in de dagperiode te houden. Het gaat daarbij om maximaal zes wedstrijden per jaar op de woensdagavonden tot 21.00 uur. Deze bedrijfssituatie is vastgelegd in de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1, 1.1.3 en 1.1.5.

De inrichting is gelegen op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Rond dit industrieterrein is een geluidzone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. In het kader van een uit te voeren saneringsprogramma heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hogere geluidgrenswaarden (MTG-waarden) vastgesteld voor de woningen [locatie 1, 2 en 3] dB(A) en voor de woning [locatie 4] van 58 dB(A).

Uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport blijkt dat de berekende geluidimmissie van de inrichting voor zowel de trainingen als de trainingswedstrijden de zonegrens van 50 dB(A) en de vastgestelde MTG-waarden in de dag- en avondperiode niet overschrijdt.

2.3. De Stichting en [appellant sub 1] voeren aan dat het college in strijd met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) een grenswaarde voor het maximale geluidniveau van meer dan 65 dB(A) voor de avondperiode heeft vastgesteld. In dat kader betogen de Stichting en [appellant sub 1] dat de door het college gemaakte bestuurlijke afweging onvoldoende is gemotiveerd. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat de mogelijkheid voor de motorcrossclub om een aantal trainingswedstrijden per maand te organiseren, nadelige gevolgen heeft voor het natuurkampeerterrein 'De Bulte' dat hij nabij het motorcrossterrein exploiteert. De Stichting voert aan dat het organiseren van trainingswedstrijden in de avondperiode voor de motorcrossclub niet noodzakelijk is.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 2.2.1 gelden voor de beoordelingspunten ter plaatse van de woningen [locatie 3] en [locatie 4] gedurende de dag- en avondperiode van 10.00 uur tot 21.00 uur maximale geluidniveaus van 69 dB(A) respectievelijk 68 dB(A). Voor de overige in dit voorschrift genoemde beoordelingspunten gelden maximale geluidniveaus van 65 dB(A) of lager.

2.3.2. De Wet geluidhinder en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit voorzien niet in afzonderlijke grenswaarden ten aanzien van piekgeluiden, veroorzaakt door het in werking zijn van een inrichting als de onderhavige, die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Het college heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van de voor de inrichting geldende maximale geluidgrenswaarden de Handreiking als uitgangspunt gehanteerd.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de in de Handreiking aanbevolen geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau wordt voldaan, met uitzondering van de woningen [locatie 3] en [locatie 4]. Bij deze woningen wordt het maximale geluidniveau in de avondperiode van 65 dB(A) met respectievelijk 4 en 3 dB(A) overschreden bij trainingswedstrijden die ingevolge voorschrift 1.1.5 maximaal zes keer per jaar op een woensdagavond tot 21.00 uur in de inrichting mogen worden gehouden. Volgens het college kan deze overschrijding op grond van een bestuurlijke afweging aanvaardbaar worden geacht. Daartoe heeft het college overwogen dat het organiseren van trainingswedstrijden in de avondperiode op een doordeweekse dag voor de motorcrossclub noodzakelijk is en dat deze trainingswedstrijden maximaal zes keer per jaar, uitgezonderd de maanden juli en augustus, en slechts tot 21.00 uur plaatsvinden. Volgens het college wordt in de zomerperiode vrijwillig niet gecrost, zodat er relatief weinig weekenden overblijven voor het organiseren van trainingswedstrijden en er bovendien in deze weekenden tevens landelijke en regionale wedstrijden plaatsvinden. Voorts heeft het college in zijn afweging betrokken dat de aanleg van een tweede geluidwal ter vermindering van het maximale geluidniveau ter plaatse van deze woningen, gelet op de daarmee gemoeide kosten van ruim € 40.000,00, redelijkerwijs niet van vergunninghouder kan worden verlangd. Verder stelt het college dat de verwachte geluidwering van de gevels van de woningen 20 dB(A) bedraagt, zodat aan een maximaal binnengeluidniveau van 50 dB(A) in de avondperiode kan worden voldaan.

2.3.3. Met hetgeen het college hierover heeft betoogd en ter zitting nader heeft toegelicht, heeft het aannemelijk gemaakt dat het gedurende een deel van de avondperiode op een doordeweekse dag organiseren van een beperkt aantal trainingswedstrijden per jaar voor de bedrijfsvoering van de motorcrossclub noodzakelijk is.

Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de trainingswedstrijden waarbij een hoger maximaal geluidniveau dan 65 dB(A) is toegestaan, zeer beperkt in aantal en tijdsduur plaatsvinden en dat in dit licht bezien de aanleg van een tweede geluidwal een dermate grote investering vergt dat zij in redelijkheid niet van vergunninghouder kan worden verlangd. [appellant sub 1] en de Stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Gelet op deze omstandigheden heeft het college bij zijn bestuurlijke afweging in redelijkheid kunnen concluderen dat de in voorschrift 2.2.1 neergelegde grenswaarden voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de woningen aan [locatie 3] en [locatie 4] aanvaardbaar zijn. Het betoog van [appellant sub 1] dat mogelijk soms meer dan één trainingswedstrijd per maand zal worden gehouden, leidt niet tot een ander oordeel.

De beroepsgronden falen.

2.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat het terrein niet geschikt zou zijn als motorcrossterrein, geldt dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 1] stelt dat niet kan worden voldaan aan de maximale geluidgrenswaarde van 63 dB(A) die in voorschrift 2.2.1 ter plaatse van zijn woning [locatie 1] is gesteld voor de periode van 10.00 uur tot 21.00 uur. Uit de meetresultaten van door hemzelf verrichte geluidmetingen, die als bijlage bij zijn beroepschrift zijn gevoegd, blijkt volgens [appellant sub 1] dat deze geluidgrenswaarde stelselmatig wordt overschreden. [appellant sub 1] wijst erop dat hij reeds eerder heeft gesteld dat de dempingsmethode die is gehanteerd bij het akoestisch onderzoek dat aan de vergunningverlening ten grondslag ligt, niet juist is. Voorts stelt hij dat de baan van het motorcrossterrein op plaatsen wel meer dan een meter verhoogd is, waardoor de uitgangspunten zijn veranderd.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de door [appellant sub 1] bij zijn beroepschrift gevoegde bijlagen met meetgegevens niet blijkt van structurele overschrijdingen van de gestelde geluidgrenswaarden. Volgens het college ziet [appellant sub 1] over het hoofd dat ingevolge voorschrift 2.4.2 de controle van de grenswaarden moet geschieden conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (1999) en heeft [appellant sub 1] waarschijnlijk ten onrechte geen meteocorrectie op zijn metingen toegepast. Uit de omstandigheid dat de hoogste pieken niet met enige regelmaat terugkeren, leidt het college, gelet op het feit dat motoren op het crossterrein rondjes rijden, af dat deze door [appellant sub 1] geconstateerde pieken waarschijnlijk niet door het crossterrein zijn veroorzaakt maar door stoorgeluiden.

2.5.2. De in voorschrift 2.2.1 ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] op [locatie 1] gestelde geluidgrenswaarde voor piekgeluiden van 63 dB(A) is gebaseerd op de uitkomsten van het akoestisch rapport van Royal Haskoning van 27 april 2007 behorend bij de aanvraag van mei 2007. Ter zitting heeft het college toegelicht dat bij het berekenen van de maximale geluidgrenswaarden is uitgegaan van een 'worst-case' benadering. In deze situatie zijn zes motoren gelijktijdig in de baan op het motorcrossterrein aanwezig. De maximale geluidgrenswaarden zijn opgebouwd uit het maximale bronvermogen van deze motoren, vermeerderd met 10 dB(A). Daarnaast is vanwege het overwegend aanwezige bosgebied tussen het motorcrossterrein en de woning van onder meer [appellant sub 1] een bodemfactor gehanteerd van 0,8 dB(A) tot 1 dB(A). [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toepassen van deze bodemfactor heeft geleid tot een onderschatting van de gemeten geluidniveaus. Evenmin heeft [appellant sub 1] aannemelijk gemaakt dat de door hem verrichte metingen niet zijn beïnvloed door stoorgeluiden vanuit de omgeving van het motorcrossterrein.

Uit de meetresultaten die door [appellant sub 1] als bijlage bij zijn beroepschrift zijn gevoegd, valt niet af te leiden of de controle van de maximale geluidgrenswaarde van 63 dB(A) is geschied volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (1999), zoals voorschrift 2.4.2 vereist. Gelet hierop kan uit deze meetresultaten niet worden afgeleid dat de in voorschrift 2.2.1 ter plaatse van de woning [locatie 1] gestelde maximale geluidgrenswaarde van 63 dB(A) niet naleefbaar is.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat, nu het terrein waarop het motorcrossterrein is gelegen, is bestemd als natuurgebied, een vergunning pas mag worden verleend nadat de bestemming is gewijzigd in motorcrossterrein. Zolang dat niet het geval is, zou de gevraagde vergunning moeten worden geweigerd.

2.6.1. Het college stelt in de overwegingen van het besluit dat, afgezien van de omstandigheid dat op grond van overgangsrecht gecrost mag worden, het betreffende terrein in het vigerende bestemmingsplan weliswaar de bestemming natuurgebied heeft, maar dat de gemeente De Wolden inmiddels een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, waarin het terrein als motorcrossterrein wordt bestemd.

2.6.2. Daargelaten of het gebruik als motorcrossterrein op grond van in het vigerende bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht in dit geval is toegestaan, bestaat in de gevallen waarop artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer betrekking heeft, geen plicht maar een bevoegdheid om de gevraagde milieuvergunning te weigeren. Het college heeft in het bestreden besluit toereikend gemotiveerd waarom het geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 1] stelt dat de aarden geluidwal illegaal aanwezig is, nu de daarvoor verleende aanlegvergunning is vernietigd.

De Afdeling is van oordeel dat dit aspect geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

2.8. De Stichting voert aan dat de beperkingen met betrekking tot de openingstijden gedurende het broedseizoen ten onrechte zijn gekoppeld aan de periode 15 maart tot 15 juli, aangezien er ook vogels zijn die in een andere periode een broedsel hebben.

In de uitspraak van 20 mei 2008, in zaak nr. 200802036/1, is deze beroepsgrond van de Stichting reeds ongegrond verklaard. De Afdeling ziet thans geen aanleiding hierover anders te oordelen.

De beroepsgrond faalt.

2.9. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

159-651.