Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200910225/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 20 januari 2009, heeft de minister een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910225/1/V6.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 18 november 2009 in zaak nr. 09/3739 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 20 januari 2009, heeft de minister een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2009 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [echtgenoot] en mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, voor zover thans van belang, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, geldt het eerste lid, aanhef en onder c, niet met betrekking tot de verzoeker die sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt.

Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging verleend, voor zover hier van belang, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven duurzaam en zelfstandig over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, beschikt.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) geldt, indien de verzoeker drie jaar onafgebroken met een Nederlander is gehuwd én zij drie jaar onafgebroken hebben samengewoond, geen termijn van toelating. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op eenzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA). Indien de samenwoning niet afdoende uit de GBA blijkt, dient de verzoeker de samenwoning door middel van andere bewijsstukken aan te tonen. Samenwoning tijdens het huwelijk buiten het Koninkrijk kan worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat van samenwoning sprake is geweest, aldus de Handleiding.

Voorts is in de Handleiding vermeld dat artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN ertoe strekt te waarborgen dat het op grond van de Vw 2000 gevoerde vreemdelingenbeleid en het op grond van de RWN gevoerde naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen. In het geval de in artikel 8, tweede lid, bedoelde verzoeker buiten het Koninkrijk om naturalisatie verzoekt, wordt derhalve ambtshalve beoordeeld of hij in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, indien hij daarom zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, aldus de Handleiding.

2.2. Tussen partijen staat vast dat [appellante] en de echtgenoot, die de Nederlandse nationaliteit heeft, op 10 augustus 2002 zijn gehuwd. Zij stonden, blijkens uittreksels uit de GBA van Breda, vanaf 7 augustus 2003 op hetzelfde adres ingeschreven. [appellante] heeft op 11 december 2006 om verlening van het Nederlanderschap verzocht. Op 28 december 2006 heeft de echtgenoot de gemeente Breda te kennen geven dat hij per 1 januari 2007 met [appellante] naar Spanje vertrekt.

Bij brief van 27 april 2007 heeft de minister [appellante] verzocht voor 1 september 2007 mee te delen of de echtgenoot zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, en zo ja, daartoe bewijsstukken over te leggen en aan te tonen dat zij vanaf 1 januari 2007 onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond. Bij brief van 13 juli 2007 heeft [appellante] op 12 juli 2007 afgegeven uittreksels uit de bevolkingsadministratie van Madrid overgelegd, waaruit blijkt dat [appellante] en de echtgenoot vanaf 4 januari 2007 op het hetzelfde adres waren ingeschreven. In de periode daarna heeft een briefwisseling tussen de minister en [appellante] plaatsgevonden, waarbij de minister [appellante] heeft verzocht aan te tonen dat de echtgenoot zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Bij brief van 2 juni 2008 heeft [appellante] hiertoe stukken overgelegd. De minister heeft [appellante] bij brief van 28 juli 2008 verzocht voor 1 december 2008 aanvullend bewijs te leveren en door middel van objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen dat zij en de echtgenoot vanaf 12 juli 2007 onafgebroken hebben samengewoond. Tussen partijen staat vast dat [appellante] op deze laatste brief niet heeft gereageerd.

De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat [appellante] vanaf 7 augustus 2003 tot en met 12 juli 2007 onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 8, tweede lid, van de RWN. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft aangetoond dat zij vanaf 12 juli 2007 onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond. Volgens haar blijkt uit alle door haar overgelegde informatie dat er met betrekking tot het samenwonen na 12 juli 2007 niets was veranderd. Voorts heeft zij bij brief van 13 juli 2007 het door de minister bij brief van 27 april 2007 verzochte bewijs overgelegd. Indien de minister op dat moment op het verzoek had besloten, was er geen beletsel geweest haar het Nederlanderschap te verlenen. De minister had de overige in de brief van 27 april 2007 verzochte informatie niet nodig om een besluit te kunnen nemen, aldus [appellante].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 april 2009, zaak nr. 200804889/1/V6), moet de in artikel 8, tweede lid, van de RWN opgenomen eis van drie jaar huwelijk en samenwoning met een Nederlander, aldus worden verstaan dat zowel op het tijdstip van indiening van het verzoek als op het moment dat een besluit wordt genomen hieraan dient te zijn voldaan. Voorts volgt uit de Handleiding, zoals de Afdeling in voormelde uitspraak eveneens heeft overwogen, dat de betrokken verzoeker de samenwoning dient te bewijzen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij na 12 juli 2007 onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond, reeds omdat zij hiertoe geen stukken heeft overgelegd. Op welke stukken [appellante] doelt in haar betoog dat uit alle door haar overgelegde informatie blijkt dat er met betrekking tot het samenwonen na 12 juli 2007 niets was veranderd, heeft zij niet duidelijk kunnen maken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet in aanmerking kwam voor de vrijstelling van artikel 8, tweede lid, van de RWN.

Dat als de minister op 13 juli 2007 op het verzoek van [appellante] had besloten hij haar het Nederlanderschap wel zou hebben verleend, naar [appellante] stelt, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft aan het besluit, verzonden op 20 januari 2009, ten overvloede ten grondslag gelegd dat [appellante] niet in aanmerking zou komen voor een verblijfsrecht in Nederland van niet-tijdelijke aard, indien zij daarom zou vragen. Volgens de minister bestonden er eveneens bedenkingen tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. [appellante] had volgens de minister op 13 juli 2007, zoals volgt uit hetgeen in 2.2. is vermeld, evenmin aangetoond dat de echtgenoot zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Voor het oordeel dat de minister ten onrechte om deze informatie heeft verzocht, bestaat geen grond. De aan [appellante] in Nederland toegekende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd was na haar vertrek naar Spanje ingetrokken. In dat geval wordt, zoals uit de onder 2.1. weergegeven passage van de Handleiding is af te leiden, ambtshalve beoordeeld of [appellante] in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, indien zij daarom zou vragen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van [appellante] in de bezwaarfase kon worden afgezien. Daartoe voert zij aan dat zij tijdens de hoorzitting had kunnen aantonen dat zij vanaf 7 augustus 2003 onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond.

2.4.1. Een bestuurorgaan mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het horen afzien, indien er voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

2.4.2. De minister heeft zich in het besluit, verzonden op 20 januari 2009, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de samenwoning met de echtgenoot op dat moment nog voortduurde. [appellante] heeft in het aanvullend bezwaarschrift van 30 maart 2009 aangevoerd dat, samengevat weergegeven, het voor de minister bij de gemeente waar zij was ingeschreven eenvoudig was te controleren dat zij tot het besluit op het verzoek onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond. Zoals volgt uit hetgeen in 2.3.1. is overwogen, was het aan [appellante] de samenwoning aan te tonen. Zij heeft hiertoe, zoals onder 2.3.1. is vermeld, geen stukken overgelegd nadat de minister haar daar bij brief van 28 juli 2008 om had verzocht. De minister heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat aan de maatstaf als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb was voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat [appellante] tijdens een hoorzitting alsnog had aangetoond dat zij vanaf 7 augustus 2003 onafgebroken met de echtgenoot heeft samengewoond, leidt niet tot een ander oordeel. De minister neemt het besluit om niet te horen op basis van hetgeen in het bezwaarschrift en de eventuele aanvulling daarop naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van [appellante] in de bezwaarfase kon worden afgezien.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

32-485.