Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200909162/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2008 heeft de minister een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909162/1/V6.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) van 16 oktober 2009 in zaak nr. 09/258 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2008 heeft de minister een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. C. Lucassen, advocaat te Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, voor zover thans van belang, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, voor zover thans van belang, beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt aan de hand van een door de minister op te stellen naturalisatietoets vastgesteld, of een verzoeker beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, wordt het verzoek niet afgewezen om de reden dat de naturalisatietoets niet is behaald, indien ten genoegen van de minister is aangetoond dat de verzoeker door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is de naturalisatietoets te behalen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland (hierna: de Regeling naturalisatietoets), voor zover thans van belang, is de naturalisatietoets genoemd in artikel 2, tweede lid, van het Besluit naturalisatietoets het inburgeringsexamen bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, toont de verzoeker die woonachtig is in Nederland, de in artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit naturalisatietoets bedoelde psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan door overlegging van een medisch advies van een arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering, dat op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden en inhoudende dat sprake is van een belemmering of een handicap.

Ingevolge het derde lid, toont de verzoeker de in artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit naturalisatietoets bedoelde psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap tevens aan door overlegging van een beschikking krachtens artikel 6 van de Wet inburgering inhoudende de ontheffing van de inburgeringsplicht, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan drie jaar.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering legt de inburgeringsplichtige bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering een advies over van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG).

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) is een verzoeker die aantoont dat hij een zodanige psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen, ontheven van de verplichting het examen te behalen. De verzoeker dient door middel van een 'medisch advies inburgeringsexamen' of een 'beschikking van het college van burgemeester en wethouders krachtens artikel 6 van de Wet inburgering inhoudende de ontheffing van de inburgeringsplicht' aan te tonen dat hij voor ontheffing in aanmerking komt. Voor een medisch advies dat de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen medisch adviseur. De medisch adviseur is een onafhankelijke arts, niet zijnde een behandelend arts van de verzoeker, die is ingeschreven in het conform de Wet BIG door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register (hierna: het BIG-register). De medisch adviseur stelt vast of er een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap is waardoor de betrokken verzoeker het examen binnen een termijn van vijf jaar al dan niet kan behalen, aldus de Handleiding.

2.2. Tussen partijen staat vast dat [appellante] het inburgeringsexamen niet heeft behaald en dat zij bij haar verzoek van 16 juli 2007 om haar het Nederlanderschap te verlenen, heeft gesteld daartoe niet in staat te zijn. Ter toelichting heeft zij een brief overgelegd van haar behandelend gynaecoloog (hierna: de gynaecoloog) van 27 maart 2007. In deze brief is, voor zover thans van belang, vermeld dat het [appellante] niet lukt op de onderdelen schrijven en spreken hoger te scoren, omdat haar geest teveel met problemen uit het verleden wordt belast. Er is zeer duidelijk een posttraumatisch stresssyndroom aanwezig, zich uitend in allerlei lichamelijke en psychische klachten. Ze is eigenlijk niet in staat om op korte termijn betere prestaties voor het inburgeringsexamen te leveren dan ze tot nu toe heeft gedaan, aldus de gynaecoloog. De huisarts van [appellante] (hierna: de huisarts) heeft het vorenstaande op 8 juni 2007 onderschreven en verklaard dat [appellante] momenteel wegens gezondheidsklachten niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen.

De minister heeft [appellante] bij brief van 5 december 2007 meegedeeld dat, samengevat weergegeven, zij een medisch advies dient over te leggen van een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwijndrecht (hierna: het college) aangewezen onafhankelijke arts die in het BIG-register is ingeschreven. [appellante] heeft op 12 december 2007 een aanvraag keuring ontheffing inburgeringsplicht ingediend. De door het college aangewezen arts van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna: de keuringsarts) heeft in een op 20 februari 2008 verzonden advies (hierna: het advies) geconcludeerd dat er voor [appellante] geen medische belemmeringen zijn om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Volgens het advies zijn de door [appellante] overgelegde stukken bij deze conclusie betrokken. Naast de hiervoor vermelde informatie van de gynaecoloog en de huisarts heeft [appellante] onder meer een brief van de gynaecoloog van 4 april 2007 overgelegd, waarin, voor zover thans van belang, is vermeld dat [appellante] enorme psychosociale problemen heeft.

Tussen partijen staat vast dat [appellante] geen ontheffing krachtens artikel 6 van de Wet inburgering heeft overgelegd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de door de gynaecoloog en de huisarts verstrekte informatie geen grond biedt voor het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel inhoudelijk niet-concludent is, omdat de gynaecoloog en de huisarts niet inzichtelijk hebben gemaakt op grond waarvan zij tot hun conclusies zijn gekomen, noch hebben geconcludeerd dat het voor [appellante] niet mogelijk is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Uit de door de gynaecoloog en de huisarts overgelegde stukken blijkt dat [appellante] wegens een posttraumatisch stresssyndroom niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Voorts is niet van belang dat de gynaecoloog en de huisarts de termijn van vijf jaar niet hebben vermeld, aangezien de keuringsarts in het geheel niet heeft gemotiveerd waarom hij in afwijking van de door de gynaecoloog en de huisarts verstrekte informatie [appellante] wel in staat acht binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Ten slotte heeft de rechtbank, door aldus te overwegen, haar eigen oordeel in de plaats van dat van de minister gesteld, aldus [appellante].

2.3.1. De minister heeft zich in het besluit van 23 januari 2009 op het standpunt gesteld dat de door de gynaecoloog en de huisarts verstrekte informatie niet afdoet aan zijn conclusie dat het advies van de keuringsarts zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk concludent is. Daartoe heeft de minister van belang geacht dat de keuringsarts deze informatie bij het advies heeft betrokken. Voorts hebben de gynaecoloog en de huisarts alleen verklaard dat [appellante] 'op korte termijn' onderscheidenlijk 'momenteel' niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen, aldus de minister in voormeld besluit.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht en zonder haar eigen oordeel in de plaats van dat van de minister te stellen overwogen dat, samengevat weergegeven, de door de gynaecoloog en de huisarts verstrekte informatie geen grond biedt voor het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel inhoudelijk niet-concludent is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, zoals de minister in het besluit van 23 januari 2009 heeft vermeld, de gynaecoloog en de huisarts niet hebben geconcludeerd dat het voor [appellante] niet mogelijk is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Gelet hierop was de minister evenmin gehouden te motiveren waarom de conclusie van het advies afwijkt van die van de gynaecoloog en de huisarts. Daarbij komt dat de gynaecoloog weliswaar heeft geconcludeerd, welke conclusie de huisarts heeft onderschreven, dat [appellante] wegens een posttraumatisch stresssyndroom op korte termijn niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen, maar, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet inzichtelijk is gemaakt op grond waarvan tot deze conclusie is gekomen. De minister heeft zich in het besluit van 23 januari 2009 terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij voor de door haar gestelde psychische problemen onder behandeling van een psychiater dan wel psycholoog is en voorts dat de keuringsarts de door [appellante] overgelegde stukken van haar voormalige behandelend psycholoog, die in een brief van 18 april 2005 heeft geconcludeerd dat de behandeling kon worden afgesloten, bij het advies heeft betrokken.

2.3.3. De rechtbank heeft - nu [appellante] geen medisch advies van een arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering, inhoudende dat sprake is van een belemmering of een handicap noch een ontheffing krachtens artikel 6 van de Wet inburgering heeft overgelegd - met juistheid overwogen dat de minister op deugdelijke gronden heeft geoordeeld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel verstandelijke handicap, binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.

2.3.4. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

32-485.