Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200907664/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8173, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Oost de aan [wederpartij] verleende tegemoetkoming buitengewone uitgaven voor 2006 van € 3.145,00 herzien, deze tegemoetkoming vastgesteld op nihil en het reeds betaalde bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/35.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907664/1/H2.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 augustus 2009 in zaak nr. 08/4191 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Oost de aan [wederpartij] verleende tegemoetkoming buitengewone uitgaven voor 2006 van € 3.145,00 herzien, deze tegemoetkoming vastgesteld op nihil en het reeds betaalde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 7 mei 2008 heeft de inspecteur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 27 augustus 2009, waarvan afschrift van het proces-verbaal is verzonden op 10 september 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de besluiten van 7 mei 2008 en 15 februari 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 november 2009.

De inspecteur heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2010, waar de inspecteur, vertegenwoordigd door F.J. Gerritsen, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven (hierna: het Besluit) heeft de belastingplichtige bij wie bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting over het voorgaande kalenderjaar buitengewone uitgaven in aanmerking zijn genomen, aanspraak op een financiële tegemoetkoming, indien de gecombineerde inkomensheffing over dat kalenderjaar lager is dan de gecombineerde heffingskorting. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt berekend met toepassing van het derde lid.

Ingevolge het tweede lid wordt voor de berekening van de tegemoetkoming verstaan onder:

a. A: de gecombineerde inkomensheffing over het voorgaande kalenderjaar;

b. B: de gecombineerde heffingskorting over het voorgaande kalenderjaar;

c. C: de gecombineerde inkomensheffing over het voorgaande kalenderjaar, indien bij de berekening daarvan de buitengewone uitgaven niet in aanmerking zouden zijn genomen.

Ingevolge het derde lid is, indien C kleiner is dan B, de tegemoetkoming gelijk aan het verschil tussen C en A. In andere gevallen is de tegemoetkoming gelijk aan het verschil tussen B en A.

Ingevolge het vierde lid wordt de tegemoetkoming vastgesteld bij beschikking van de inspecteur. Indien binnen vijf jaren na het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, blijkt dat de beschikking ten onrechte of tot een onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, wordt onder gecombineerde inkomensheffing verstaan: het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Ingevolge die aanhef en onder f, wordt onder gecombineerde heffingskorting verstaan: het bedrag van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel d, van de Wet IB 2001, dat in aanmerking zou zijn genomen indien artikel 8.8 van die wet buiten toepassing zou zijn gebleven en verhoging op de voet van artikel 8.9 van die wet geen toepassing zou hebben gevonden.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wet IB 2001 is het verzamelinkomen het gezamenlijke bedrag van:

a. het inkomen uit werk en woning;

b. het inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen.

Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, wordt onder gecombineerde inkomensheffing verstaan: het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder d, wordt onder gecombineerde heffingskorting verstaan: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.

2.2. In 2005 bedroeg het inkomen van [wederpartij] uit zijn dienstbetrekking bij Randstad Transport b.v. € 6.721,00 en uit zijn dienstbetrekking bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag € 39.376,00. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het inkomen van [wederpartij] uit zijn dienstbetrekking bij het Internationaal Gerechtshof, dat is vrijgesteld van inkomstenbelasting, moet worden meegeteld bij de berekening van de tegemoetkoming buitengewone uitgaven (hierna: TBU) als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 2, tweede en derde lid, van het Besluit blijkt dat de TBU niet wordt vastgesteld op basis van het verzamelinkomen, zoals de inspecteur heeft gesteld, maar op basis van de gecombineerde inkomensheffing, neergelegd in artikel 8.1, onder b, van de Wet IB 2001. Het van inkomstenbelasting vrijgestelde inkomen van [wederpartij] heeft dus geen invloed op de hoogte van de grondslag voor vaststelling van de TBU, aldus de rechtbank.

2.4. De inspecteur betoogt dat in het Besluit weliswaar niet uitdrukkelijk is bepaald dat het vrijgesteld inkomen meetelt bij het berekenen van de TBU, maar dat dit wel uit het doel en de strekking van het Besluit volgt nu de TBU is bedoeld voor personen met lage inkomens. Hij stelt dat [wederpartij] niet tot die doelgroep behoort gelet op zijn totale inkomen in 2005 van € 46.097,00. De inspecteur wijst er op dat ook voor inkomensafhankelijke regelingen die niet van fiscale aard zijn het verzamelinkomen van belang is. Voorts verwijst de inspecteur naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 23 september 2004, nr. IFZ2004/764M, waarin een toelichting is gegeven op de reikwijdte van het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2002, nr. 36.165 (www.rechtspraak.nl; LJN: AE0466), waaruit volgens de inspecteur eveneens volgt dat het van inkomstenbelasting vrijgestelde inkomen moet worden meegeteld voor het vaststellen van niet-fiscale tegemoetkomingen waaronder de TBU.

De rechtbank heeft dit volgens de inspecteur miskend.

2.4.1. Niet in geschil is dat uit de tekst van het Besluit niet voortvloeit dat het vrijgesteld inkomen meetelt bij het berekenen van de TBU. Ook uit de toelichting vloeit dit niet voort. Uit blz. 4 van de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 2004, 152) blijkt dat het Besluit beoogt in een tegemoetkoming te voorzien voor burgers die in de fiscaliteit door de combinatie van de hoogte van hun inkomen en de totale hoogte van hun aftrekposten en heffingskortingen niet de volledige waarden van hun aftrek van buitengewone uitgaven kunnen effectueren. Voorts is hierin vermeld dat deze tegemoetkoming met name is bedoeld voor personen in de lagere inkomenscategorieën die relatief hoge buitengewone uitgaven hebben. Dat de TBU uitsluitend voor die groep is bedoeld en [wederpartij] daarop derhalve geen aanspraak heeft, volgt hieruit niet.

2.4.2. Het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2002 leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest heeft betrekking op de overdracht van de basisaftrek als bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet IB 1964. In dit arrest is overwogen dat onder 'het inkomen' van de overdragende belastingplichtige als bedoeld in dat artikel mede moet worden verstaan het van nationale belasting vrijgestelde inkomen van deze belastingplichtige. Volgens de uitleg die de staatssecretaris van Financiën aan dit arrest geeft in zijn besluit van 23 september 2004, moet het van nationale belasting vrijgestelde inkomen ook worden meegeteld in gevallen waarin een fiscale tegemoetkoming afhankelijk is gesteld van het genieten van inkomen en waarin een percentage van het verzamelinkomen als criterium voor de hoogte van de tegemoetkoming geldt, dan wel een tegemoetkoming afhankelijk is gesteld van de hoogte van het verzamelinkomen.

Uit artikel 2, eerste lid, van het Besluit volgt dat dit bij de TBU niet het geval is. Ingevolge deze bepaling wordt bij de berekening van de TBU niet aangesloten bij het verzamelinkomen maar bij de gecombineerde inkomensheffing en de gecombineerde heffingskorting. Het besluit van 23 september 2004 heeft dus voor de TBU geen betekenis.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van de inspecteur van de Belastingdienst/Oost een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

18-615.