Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200907668/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6370, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2008 heeft het college zijn beslissing tot het met toepassing van bestuursdwang op 16 januari 2008 ontmantelen van een illegale hennepkwekerij in de woning op het perceel [locatie] te Goes (hierna: de woning) op schrift gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907668/1/H1.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Goes,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 20 augustus 2009 in zaak nr. 08/550 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2008 heeft het college zijn beslissing tot het met toepassing van bestuursdwang op 16 januari 2008 ontmantelen van een illegale hennepkwekerij in de woning op het perceel [locatie] te Goes (hierna: de woning) op schrift gesteld.

Bij besluit van 20 mei 2005 (lees 20 mei 2008) heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 mei 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van Belzen en R. Bulstraan, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C.L. de Koeijer, advocaat te Terneuzen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6.4.1, aanhef en onder b, van de Bouwverordening gemeente Goes 1993 (hierna: de Bouwverordening), voor zover hier van belang, is het verboden in een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.

Ingevolge artikel 7.3.2.van de Bouwverordening, voor zover hier van belang, is het verboden in een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk;

b. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door: geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk;

c. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bevoegd was door middel van spoedeisende bestuursdwang handhavend op te treden ter zake van overtreding van artikel 6.4.1, aanhef en onder b, en artikel 7.3.2. van de Bouwverordening. Hiertoe voert het aan dat er ten tijde hier van belang van een zodanig ernstige overtreding van de Bouwverordening sprake was dat hem geen ander middel restte dan van die bevoegdheid gebruik te maken. Volgens het college is het oneigenlijke gebruik van de elektriciteitsvoorziening van een woning ten behoeve van een hennepkwekerij naar zijn aard brandgevaarlijk, temeer daar zo een voorziening in de regel continu in werking is en zich bevindt in een afgesloten ruimte, waar met vloeistoffen wordt gewerkt. Aldus is niet alleen een medewerker van het elektriciteitsbedrijf, doch ook een toezichthouder werkzaam bij de gemeente in staat een oordeel te geven over de brandveiligheid van de elektriciteitsvoorziening. Uit de door een toezichthouder opgestelde "Rapportage uitvoering bestuursdwang" van 17 januari 2008 (hierna: de rapportage) blijkt dat de elektrische installatie ten behoeve van de hennepkwekerij ook in dit geval ondeugdelijk was en een direct gevaar voor brand opleverde, aldus het college.

2.2.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de hennep werd gekweekt in een vochtige ruimte met loshangende elektrische bedrading, waar tevens met chemicaliƫn werd gewerkt. Verder is uit de rapportage en het verhandelde ter zitting gebleken dat in de woning professionele apparatuur, waaronder assimilatielampen, ventilatoren en een koolstoffilter, aanwezig waren. Dit wordt bevestigd door de in het dossier opgenomen foto's van de politie. Het college heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval een direct gevaar voor brand bestond, zodat voldoende feitelijke grondslag bestond om ter zake met spoed wegens overtreding van de Bouwverordening op te treden. Voorts heeft het college ter zitting toegelicht dat het met zijn in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 januari 2008 uitvoering heeft gegeven aan het beleid dat ter zake van hennepkwekerijen handhavend wordt opgetreden, zoals neergelegd in het convenant "Ontmanteld" van 8 juni 2006 (hierna: het convenant). In het convenant staat dat de politie of het openbaar ministerie netwerkbedrijf Delta informeert over onder meer de aard en omvang van een hennepkwekerij indien redelijkerwijs duidelijk is dat er illegaal stroom is of wordt afgetapt. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. De rechtbank heeft daarom ten onrechte gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het elektriciteitsbedrijf geen oordeel heeft gegeven over de brandveiligheid van de elektrische installatie. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank ten onrechte tot de slotsom gekomen dat het college niet bevoegd was om door middel van spoedeisende bestuursdwang handhavend op te treden ter zake van overtreding van artikel 6.4.1, aanhef en onder b, en artikel 7.3.2. van de Bouwverordening.

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 mei 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 20 augustus 2009 in zaak nr. 08/550;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

357-593.