Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200907589/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907589/1/H1.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 augustus 2009 in zaak nr. 08/160 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W. Visser, en het college, vertegenwoordigd door G. Hoekstra en P. Lemstra, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied", omdat op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" rust en ingevolge de bij die bestemming behorende planvoorschriften geen burgerwoning is toegestaan. Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college toepassing gegeven aan de hem gedelegeerde bevoegdheid neergelegd in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 19a, vierde lid, van die wet, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van het besluit omtrent vrijstelling afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de omstandigheid dat het college de ruimtelijke onderbouwing in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb niet met het ontwerp van het vrijstellingsbesluit ter inzage heeft gelegd ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het besluit op bezwaar van 27 november 2007 te vernietigen. Hiertoe voert hij aan dat hij als gevolg van de gebrekkige terinzagelegging in de door hem tegen het ontwerp van het vrijstellingsbesluit ingediende zienswijze niet heeft kunnen ingaan op de ruimtelijke onderbouwing. Volgens [appellant] heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân (hierna: gedeputeerde staten) zijn zienswijze hieromtrent derhalve niet kunnen betrekken bij de beoordeling van de door het college gevraagde verklaring van geen bezwaar.

2.3.1. Vast staat dat met het ontwerp van het besluit tot vrijstelling de ruimtelijke onderbouwing, zijnde een op dat ontwerp betrekking hebbend stuk, niet ter inzage is gelegd. [appellant] heeft tegen dit ontwerp een zienswijze ingediend, welke met het ontwerp aan gedeputeerde staten is gezonden. Gedeputeerde staten hebben bij besluit van 12 december 2006 een verklaring van geen bezwaar verleend.

2.3.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2009 in zaak nummer 200806550/1/H1, terecht overwogen dat eventuele gebreken in de voorbereiding van het besluit tot vrijstelling in de bezwaarfase kunnen worden hersteld. Niet wordt betwist dat de ruimtelijke onderbouwing in de bezwaarfase wel ter inzage is gelegd. [appellant] is in bezwaar in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent de ruimtelijke onderbouwing kenbaar te maken. Voorts is gebleken dat het college aanleiding heeft gezien om, met het oog op het te nemen besluit op bezwaar, gedeputeerde staten op de hoogte te stellen van de door [appellant] in de bezwaarfase ingebrachte zienswijze op de ruimtelijke onderbouwing en te verzoeken om te berichten of die zienswijze reden geeft terug te komen van de verleende verklaring van geen bezwaar. Bij brief van 22 augustus 2007 hebben gedeputeerde staten het college laten weten bij de verleende verklaring te blijven. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden terecht geen grond gezien om het besluit op bezwaar van 27 november 2007 wegens strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb te vernietigen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing omdat hierin in strijd met artikel 19, eerste lid, van de WRO niet is gemotiveerd in hoeverre het bouwplan in strijd is met het toekomstige planologische beleid. In dat verband voert hij aan dat de omvang van de woning met garage niet past in het ten tijde van de aanvraag in voorbereiding zijnde en ten tijde van het besluit op bezwaar vastgestelde bestemmingsplan"Buitengebied 2007".

2.4.1. Niet in geschil is dat het bouwplan wat betreft maatvoering in strijd is met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2007". De ruimtelijke onderbouwing van het project is vervat in de notitie "Bouw woning [vergunninghouder] naast het perceel plaatselijk bekend [locatie 2] te [plaats]" van september 2006. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een relatie gelegd tussen het ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning en het besluit op bezwaar vigerende bestemmingsplan "Buitengebied" en de omvang en de aard van de inbreuk die het bouwplan hierop maakt. De rechtbank heeft terecht als uitgangspunt genomen dat de omstandigheid, dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2007" geen rekening is gehouden met de exacte maatvoering van het bouwplan, niet afdoet aan de bevoegdheid van het college om hiervoor vrijstelling te verlenen. In dat bestemmingsplan is aan het gehele perceel van [vergunninghouder] een woonbestemming toegekend, op grond waarvan een burgerwoning met garage is toegestaan, en hiertoe is op de daarbij behorende plankaart een bouwvlak ingetekend. Dat neemt niet weg dat het bouwplan wat betreft maatvoering in strijd is met artikel 7, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2007", zodat het niet past in het nieuwe bestemmingsplan dat ten tijde van de aanvraag in voorbereiding was en ten tijde van het besluit op bezwaar van 27 november 2007 was vastgesteld en dat nu juist een partiële herziening voor dit perceel behelst. Het ligt op de weg van het college om onder deze omstandigheden te motiveren waarom vrijstelling wordt verleend voor een bouwplan dat niet past in het daarvoor herziene bestemmingsplan. Deze motivering ontbreekt in het besluit op bezwaar van 27 november 2007. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de maatvoering van het bouwplan abusievelijk niet is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2007". De bezwaren van [appellant] zijn hiermee niet voldoende weerlegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project in strijd is met het "Woonplan 2004" (hierna: het Woonplan) omdat [vergunninghouder] geen inwoner is van Slappeterp, niet in de kern Schingen/Slappeterp is geboren en hier niet zijn gehele jeugd heeft gewoond. Voorts is het project niet voorzien in een open gat in de bebouwde kom, aldus [appellant].

2.5.1. Volgens het bij besluit van 18 maart 2004 door de raad van de gemeente Menaldumadeel vastgestelde Woonplan kunnen aanvragen voor incidentele woningbouw in de dorpen Blessum, Schingen en Slappeterp worden gehonoreerd. Er dient echter wel sprake te zijn van woningbouw ten behoeve van huidige inwoners, dan wel voormalige inwoners. Onder voormalige inwoners wordt in het Woonplan verstaan: inwoners die in voornoemde dorpen geboren zijn en er minimaal 18 jaar gewoond hebben. Hierbij worden de dorpen Schingen en Slappeterp als één kern beschouwd. Voorts dient volgens het Woonplan sprake te zijn van invulling van zogenoemde open gaten binnen de bebouwde kom.

2.5.2. Het college heeft ter zitting toegelicht dat met het Woonplan is beoogd incidentele woningbouw mogelijk te maken ten behoeve van onder meer voormalige inwoners, mits is aangetoond dat zij nauw verbonden zijn met de betrokken kernen. Volgens het college bevat dit plan ter zake geen cumulatieve criteria. Bovendien is [vergunninghouder] weliswaar niet in Slappeterp geboren, maar heeft hij wel gedurende meer dan 18 aaneengesloten jaren in Schingen, dat met Slappeterp als één kern wordt beschouwd, gewoond. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheid past binnen de strekking van het Woonplan. Volgens het open gaten onderzoek van adviesbureau Bügel Hajema bestaan er in Slappeterp twee mogelijkheden voor woningbouw. Als meest logische optie wordt het open gat aan de Menamerdyk, tussen nummer 18 en 20, beschouwd. Een andere mogelijkheid sluit aan op de bestaande nieuwbouw van het dorp naast de [locatie 2]. Hier kunnen volgens het onderzoek twee woningen worden gerealiseerd. Het bouwplan voorziet in de bouw van een woning op de laatstgenoemde locatie. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek van Bügel Hajema zodanige gebreken of tekortkomingen vertoont dat het college zijn besluit op bezwaar van 27 november 2007 niet op dit onderzoek mocht baseren. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van invulling van open gaten als bedoeld in het Woonplan. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het project in strijd is met het Woonplan.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 november 2007 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 augustus 2009 in zaak nr. 08/160;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel van 27 november 2007.

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 366,00 (zegge: driehonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

357-593.