Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
201002340/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan

"Gezondheidspark" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002340/2/R3.

Datum uitspraak: 11 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Vereniging Woolderparkgroep, gevestigd te Hengelo, en [verzoekers], beiden wonend te Hengelo,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Hengelo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan

"Gezondheidspark" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de Woolderparkgroep en [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2010, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2010, hebben de Woolderparkgroep en [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 mei 2010, waar de Woolderparkgroep, vertegenwoordigd door [bestuurder], bijgestaan door [een van de verzoekers], en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.E.M. Wolsink, ing. M.F.T. Poos, ing. B.H. Meijer, ing. G.G.F. Boers en ing. H.M.M. Schuttenbeld, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de stichting Stichting Scholengroep Twente Speciaal, de stichting Jarabee, Stichting voor Jeugdzorg in Twente en de stichting Stichting De Eik, alle vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de uitbreiding van het gezondheidspark ten oosten van de Brugginksweg te Hengelo. Voorts wordt met het plan beoogd de voorheen geldende juridisch-planologische regelingen voor het plangebied ten westen van de Brugginksweg te actualiseren.

2.3. De voorzitter is niet gebleken dat [verzoekers] een zienswijze hebben ingediend over het ontwerpplan. De voorzitter gaat thans voorbij aan de vraag of het beroep tegen het vaststellingsbesluit voor zover dit namens hen is ingediend ontvankelijk is, nu zij met de Woolderparkgroep gelijkluidende beroepsgronden hebben ingediend en er verder geen twijfel bestaat over de ontvankelijkheid van het beroep van de Woolderparkgroep.

2.4. De Woolderparkgroep en [verzoekers] voeren als formeel bezwaar aan dat de publicatie van het bestreden besluit onvolledige informatie bevat. Daarnaast is het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen volgens hen niet gepubliceerd.

Daargelaten de vraag of van deze gebreken sprake is, overweegt de voorzitter dat voornoemde, gestelde, gebreken de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet kunnen aantasten, zodat hieraan thans kan worden voorbijgegaan.

2.5. Met betrekking tot het standpunt van de Woolderparkgroep en [verzoekers] dat de raad ten onrechte heeft besloten geen exploitatieplan vast te stellen, overweegt de voorzitter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2009, in zaak nr. 200901438/1, dat het beroep van de Woolderparkgroep en [verzoekers] is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld zouden de Woolderparkgroep en [verzoekers] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij geen grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied, zij geen eigenaar zijn van gronden in dat gebied en ook anderszins niet is gebleken van belangen van hen die rechtstreeks betrokken zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan.

Gelet hierop verwacht de voorzitter dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat de Woolderparkgroep en [verzoekers] evenmin kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro en dat het beroep van de Woolderparkgroep en [verzoekers] in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.6. De Woolderparkgroep en [verzoekers] betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld. In dit verband voeren zij aan dat de raad ten onrechte de ten aanzien van Rijkswaterstaat, Wegendistrict Twente-Achterhoek (hierna: Rijkswaterstaat) en het ziekenhuis ZGT Hengelo te hanteren richtafstandsnormen heeft aangehouden, nu daarbij de geluidsaspecten onvoldoende zijn onderzocht. Daarnaast menen zij dat het aan het plan ten grondslag liggende natuuronderzoek niet actueel is. Voorts stellen zij dat de Flora- en faunawet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Ook stellen zij dat het advies van de regionale brandweer van 8 juli 2008 in het kader van het veiligheidsonderzoek niet ter inzage is gelegd en dat dit onderzoek niet volledig is geweest. Verder heeft de raad niet onderkend dat sprake is van een (beoordelings)plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport, aldus de Woolderparkgroep en [verzoekers]. Zij beogen met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening met het oog op een lopende vrijstellings- en bouwvergunningsprocedure het ontstaan van een onomkeerbare situatie te voorkomen.

2.7. Naar het voorlopige oordeel van de voorzitter heeft de raad in redelijkheid de ten aanzien van Rijkswaterstaat geldende richtafstandsnormen kunnen aanhouden. Daarbij wordt van belang geacht dat in het kader van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2009 tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften de beoordeling van de toelaatbaarheid van de geluidsbelasting voor de woonbebouwing in de directe omgeving vanwege de incidentele strooiactiviteiten van Rijkswaterstaat reeds heeft plaatsgevonden. Derhalve is er ook geen aanleiding om te concluderen dat voor de verderop voorziene bebouwing sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidsbelasting. Ten aanzien van de richtafstandsnorm die geldt voor het ziekenhuis ZGT Hengelo ziet de voorzitter voorshands evenmin grond voor het oordeel dat de raad deze in redelijkheid niet heeft kunnen aanhouden, aangezien de raad heeft toegelicht dat door het plaatsen van geluidschermen ter plaatse van de voorziene woningen een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd en de Woolderparkgroep en [verzoekers] daar geen voldoende concrete andersluidende gegevens tegenover hebben gesteld.

De voorzitter overweegt voorts dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hogere geluidswaarden voorafgaande aan de vaststelling van het plan zijn vastgesteld en dat de Woolderparkgroep en [verzoekers] dit als zodanig ook hebben erkend. Verder hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de raad in zijn afweging geen rekening heeft gehouden met cumulatie van geluidsbronnen.

2.8. De voorzitter overweegt dat de Woolderparkgroep en [verzoekers] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het aan het plan ten grondslag liggende natuuronderzoek niet actueel was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan de Woolderparkgroep en [verzoekers] veronderstellen, de terinzagelegging van het ontwerp van het plan niet in januari 2010, maar in augustus en september 2009 heeft plaatsgevonden.

2.9. Niet is gebleken dat de Flora- en faunawet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan nu de Woolderparkgroep en [verzoekers] niet aannemelijk hebben gemaakt dat nog ontheffingen in het kader van deze wet dienen te worden verleend. Derhalve kan ook in het midden blijven of deze ontheffingen daadwerkelijk kunnen worden verleend.

2.10. De voorzitter ziet op voorhand geen reden het advies van de regionale brandweer in het kader van het externe veiligheidsonderzoek aan te merken als een stuk dat afzonderlijk ter inzage diende te worden gelegd. Nu de bevindingen in dit advies verwerkt zijn in de milieuaspectenstudie en deze als bijlage bij het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, kan niet worden gezegd dat de Woolderparkgroep en [verzoekers] van deze bevindingen geen kennis hebben kunnen nemen.

Blijkens de milieuaspectenstudie is rekening gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarbij gaat het om een constante stroom van circa 200 ketelwagens met brandbaar gas en 50 ketelwagens met zeer brandbare vloeistoffen. Voor het railtransport is een door brand ontstane explosie van een met brandbaar gas geladen ketelwagen het maatgevende scenario, zo staat in de milieuaspectenstudie. De raad heeft nader uiteengezet dat de veiligheidsaspecten zijn onderzocht aan de hand van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en de berekeningen zijn uitgevoerd met het in die circulaire voorgeschreven rekenprogramma RBM-II en de daarbij aangehouden classificering van gevaaraspecten van stoffen. Uit deze berekeningen blijkt dat de verwezenlijking van het gezondheidspark zal leiden tot een geringe toename van het groepsrisico, die volgens de raad verantwoord is, mede gelet op de aspecten die zijn genoemd in de circulaire. De Woolderparkgroep en [verzoekers] hebben niet aannemelijk hebben gemaakt dat het externe veiligheidsonderzoek op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd en dat de op grond daarvan berekende resultaten zullen leiden tot de conclusie dat het groepsveiligheidsrisico onaanvaardbaar toeneemt.

Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de locatie van de school en de verminderde zelfredzaamheid van personen onvoldoende bij het veiligheidsonderzoek zijn betrokken.

2.11. Niet in geschil is dat het plangebied een oppervlakte beslaat van ongeveer 45 hectare. Voorts blijkt uit de plantoelichting dat het plan in de bouw van 210 woningen voorziet. Naar het voorlopige oordeel van de voorzitter hebben de Woolderparkgroep en [verzoekers] niet aannemelijk gemaakt dat in het kader van de onderhavige bestemmingsplanprocedure sprake is van een (beoordelings)plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport.

2.12. De Woolderparkgroep en [verzoekers] betwisten voorts de volledigheid en juistheid van de onderzoeken naar het aspect luchtkwaliteit, de archeologische waarden in het plangebied en de vraag naar de voorziene zorginstellingen. Daarnaast menen zij dat het plan onvoldoende waarborgen biedt ten aanzien van de aspecten parkeren, bouwhoogten, sociale veiligheid en lichthinder. Verder worden gedane toezeggingen omtrent het afschermen van het zicht op het gezondheidspark voor de bewoners van het perceel [locatie] niet nagekomen, aldus de Woolderparkgroep en [verzoekers].

Naar het voorlopige oordeel van de voorzitter is hetgeen de Woolderparkgroep en [verzoekers] hebben aangevoerd, mede gelet op het feit dat zij hun stellingen niet met tegenonderzoeken hebben onderbouwd, niet voldoende om twijfel te doen rijzen aan de juistheid van de beoordeling door de raad van voornoemde aspecten.

2.13. Gelet op het vorenstaande hebben de Woolderparkgroep en [verzoekers] de voorzitter er niet van kunnen overtuigen dat betwijfeld moet worden of het plan in de bodemprocedure stand kan houden. Gelet hierop en na afweging van het belang van de raad bij de realisering van de in het plan voorziene ontwikkelingen en het belang van de Woolderparkgroep en [verzoekers] bij het voorkomen van deze ontwikkelingen bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2010

350-629.