Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
201002636/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft het college aan AgriChem een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor haar inrichting voor het formuleren van gewasbeschermingsmiddelen en de opslag van grondstoffen en eindproducten op het perceel Koopvaardijweg 9 te Oosterhout. Dit besluit is op 4 februari 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002636/2/M1.

Datum uitspraak: 11 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AgriChem B.V., gevestigd te Oosterhout,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft het college aan AgriChem een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor haar inrichting voor het formuleren van gewasbeschermingsmiddelen en de opslag van grondstoffen en eindproducten op het perceel Koopvaardijweg 9 te Oosterhout. Dit besluit is op 4 februari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft AgriChem bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 april 2010.

Bij eerstgenoemde brief heeft AgriChem de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

AgriChem en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 mei 2010, waar AgriChem, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, P.J.A.M. Voorbraak, P.J.G.M. Voorbraak, A.J. van Zaanen en ir. D.C.M. van Bakel, en het college, vertegenwoordigd door drs. A. Lemaire-Lap, ing. R.K. Janssen en ing. M. Roelofs, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge voorschrift 14.2.6 van het bestreden besluit mag de (water) sprinklerinstallatie in een opslagvoorziening niet automatisch in werking kunnen treden. Alleen na toestemming van de ter plaatse aanwezige hulpdiensten mag de sprinklerinstallatie worden gebruikt indien dat gelet op de noodsituatie de meest aangewezen weg is.

2.3. AgriChem betoogt niet aan voorschrift 14.2.6 te kunnen voldoen, omdat dit technisch niet uitvoerbaar is. Indien zij wel aan het voorschrift zal voldoen, betekent dit volgens haar het uitschakelen van de secundaire automatische sprinklerinstallatie, die dienst doet als brandveiligheidsvoorziening in het eindproductengebouw B en het grondstoffengebouw H binnen haar inrichting. Voorts zijn er volgens AgriChem geen redenen om de (niet gecertificeerde) sprinklerinstallatie in de gebouwen B en H naast de primaire brandveiligheidsvoorziening, de gecertificeerde blusgasinstallatie, niet aanwezig te laten zijn. Wanneer AgriChem de automatische sprinklerinstallatie als secundaire voorziening niet mag handhaven, dan voorziet zij dat de assuradeuren de brandverzekering voor het bedrijf zullen heroverwegen met alle gevolgen van dien. AgriChem betoogt dat van een negatieve beïnvloeding van de sprinklerinstallatie op de goede werking van de blusgasinstallatie geen sprake zal zijn.

2.3.1. Het college voert aan dat in de vergunningaanvraag de gevolgen van het gecombineerd gebruik van de blusgasinstallatie en de sprinklerinstallatie niet goed inzichtelijk zijn gemaakt. Onduidelijk is wat de invloed is van de automatische sprinklerinstallatie op de blusgasinstallatie en of de opvangcapaciteit van het bluswater en de producten bij gebruik van de sprinklerinstallatie toereikend is. Uit de aanvraag blijkt onvoldoende dat uitgesloten is dat beide voorzieningen elkaar negatief kunnen beïnvloeden.

2.3.2. In de inrichting van AgriChem worden onder meer in de gebouwen B en H gevaarlijke stoffen opgeslagen waarvoor volgens de richtlijn Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS 15) beschermingsniveau 1 is vereist. Dit beschermingsniveau verlangt een snelle detectie in geval van brand en een blussing die binnen korte tijd (semi-)automatisch wordt ingezet. In dit verband is in genoemde gebouwen een automatische blusgasinstallatie als primaire blusvoorziening aangebracht. In de aanvraag is vermeld dat in bedoelde gebouwen ook de oorspronkelijke sprinklerinstallatie als secundaire blusvoorziening aanwezig is, die niet meer gecertificeerd is maar wel

stand-by blijft. Bij de aanvraag is het rapport "Risicoanalyse AgriChem te Oosterhout" van Adviesgroep AVIV B.V. van 11 maart 2008 gevoegd. In dit rapport is voor de risicobeoordeling van de opslag in de gebouwen B en H als uitgangspunt gehanteerd dat een automatische blusgasinstallatie aanwezig is. In het rapport wordt niet gesproken over de aanwezigheid en de effecten van de ook aanwezige sprinklerinstallatie. In het eveneens bij de aanvraag gevoegde "Veiligheidsrapport AgriChem te Oosterhout" van 2 april 2008 is vermeld dat bij brand altijd eerst de blusgasinstallatie geactiveerd zal worden en dat bij goede werking de sprinklerinstallatie niet aangesproken zal worden. Over de sprinklerinstallatie is verder vermeld dat deze sprinkler een doormeldinstallatie is met een vaste verbinding naar de particuliere alarmcentrale (PAC) van de ADT-alarmcentrale en de regionale brandweer. De sprinklerinstallatie heeft een ondersteunende rol en de eerste ingreep bij brand zal worden uitgevoerd met de blusgasinstallatie. In het rapport is de quantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd uitgaande van de aanwezigheid van de blusgasinstallatie. Uit het rapport blijkt echter voldoende duidelijk welke bij gebruik van die installatie de rol zou moeten of kunnen zijn van de (automatische) sprinklerinstallatie en welke de wisselwerking is tussen de blusgasinstallatie en het automatisch functioneren van de sprinklerinstallatie. Ten slotte is in het bij de aanvraag gevoegde Programma van Eisen van Nagtglas Versteeg Inspecties B.V. van 20 juni 2006 de werking van zowel de blusgasinstallatie als de sprinklerinstallatie beschreven. Hierin is niet beschreven hoe de onderlinge werking tussen beide systemen is.

2.3.3. De voorzitter overweegt dat het, gelet op de stukken en hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is vermeld, niet duidelijk is wat de gevolgen van het gecombineerd gebruik van de automatische blusgasinstallatie en de automatische sprinklerinstallatie zijn. In het licht hiervan kan het bepaalde in voorschrift 14.2.6 niet op voorhand onredelijk worden geacht.

2.3.4. AgriChem heeft na het nemen van het bestreden besluit verschillende stukken overgelegd waaruit volgens haar zou blijken dat de werking van de automatische blusgasinstallatie en de werking van de automatische sprinklerinstallatie elkaar niet negatief zullen beïnvloeden. AgriChem heeft haar zienswijze op dit punt in een op 24 maart 2010 met het college gevoerd gesprek toegelicht en in een brief aan het college van 2 april 2010 bevestigd. In deze brief heeft AgriChem het college de suggestie gedaan met toepassing van artikel 8.22 en/of artikel 8.23 van de Wet milieubeheer ambtshalve voorschrift 14.2.6 in te trekken en paragraaf 13.2 te herschrijven.

De voorzitter stelt vast dat deze door AgriChem overgelegde informatie dateert van na het bestreden besluit. Verder is deze informatie van dien aard dat de betekenis ervan voor het functioneren van de inrichting nader onderzoek vereist waarvoor onderhavige procedure zich niet leent. De voorzitter verwacht dat voor dit onderzoek een door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening uit te brengen deskundigenbericht wenselijk zal worden geacht.

2.3.5. Uit de stukken blijkt dat de aanwezigheid van de blusgasinstallatie naast de sprinklerinstallatie in de inrichting al sinds 2007/2008 het geval is. Ingevolge voorschrift 1.1.7 van de op 10 juli 2006 krachtens de Wet milieubeheer aan AgriChem verleende veranderingsvergunning dient er bij een brandmelding voor te worden zorg gedragen dat alleen de blusgasinstallatie in werking wordt gesteld. De automatische sprinklerinstallatie mag pas worden ingezet nadat de blusgasinstallatie volledig is uitgewerkt en na overleg met de brandweer.

AgriChem heeft erkend tegen dit voorschrift, dat vergelijkbaar is met het thans door haar bestreden voorschrift 14.2.6, destijds geen beroep te hebben ingesteld, als gevolg waarvan dit voorschrift onherroepelijk is geworden. Hoewel AgriChem betoogt niet aan het gestelde in deze voorschriften te hebben kunnen voldoen, heeft zij het college nimmer verzocht deze met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer te wijzigen of in te trekken. Gesteld noch gebleken is dat voorschrift 1.1.7 van de eerder verleende vergunning in de praktijk voor AgriChem tot problemen heeft geleid. Anders dan in voorschrift 1.1.7 het geval was, is ingevolge voorschrift 14.2.6 toestemming van de hulpdiensten vereist.

Op pagina 14 van de considerans van het bestreden besluit staat echter vermeld dat de sprinklerinstallatie in opslagvoorzieningen niet in werking mag treden zonder toestemming van hulpdiensten in het geval van een calamiteit. De strekking van de veranderingsvergunning is daarmee volgens de considerans niet veranderd. Slechts het woord "automatisch" is vervallen. De sprinklerinstallatie in een opslagvoorziening mag volgens de considerans alleen worden aangezet na overleg met de brandweer. Gelet op vorenstaande bewoordingen in de considerans ziet de voorzitter, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening voorschrift 14.2.6 in overeenstemming te brengen met de considerans van het bestreden besluit, met dien verstande dat in de tweede volzin van dit voorschrift de woorden "na toestemming van" worden vervangen door de woorden "na overleg met". Zowel AgriChem als het college hebben ter zitting verklaard hiermee te kunnen instemmen.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. De voorzitter zal bevorderen dat in het kader van de behandeling van het beroep de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening op korte termijn zal worden verzocht een deskundigenbericht uit te brengen en trachten de behandeling van het beroep zoveel mogelijk te bespoedigen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat in het aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout van 1 februari 2010, kenmerk Wm 08.04, verbonden voorschrift 14.2.6, tweede volzin, de woorden "na toestemming van" worden vervangen door de woorden "na overleg met";

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout tot vergoeding van bij AgriChem B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout aan AgriChem B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2010

159-650.