Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
201003258/1/H1 en 201003258/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2008 heeft de gemeenteraad verklaard dat een herziening van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" wordt voorbereid, teneinde een gastenverblijf met kookstudio en coachingsbureau in een bestaande woning en schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te mogen realiseren en een kleinschalige camping met trekkershutten en een aanlegsteiger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003258/1/H1 en 201003258/2/H1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 maart 2010 in de zaken nrs. 09/470 en 09/618 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (hierna: het college) en de raad van die gemeente (hierna: de gemeenteraad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2008 heeft de gemeenteraad verklaard dat een herziening van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" wordt voorbereid, teneinde een gastenverblijf met kookstudio en coachingsbureau in een bestaande woning en schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te mogen realiseren en een kleinschalige camping met trekkershutten en een aanlegsteiger.

Bij besluit van 1 december 2008 heeft hij opnieuw een zodanig besluit genomen voor het project met uitzondering van de trekkershutten.

Bij besluit van 5 januari 2009 heeft hij de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het college aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het gebruik van het perceel ten behoeve van een gastenverblijf met kookstudio en coachingsbureau in een bestaande woning en schuur en het realiseren van een kleinschalige camping en de aanleg van een aanlegsteiger.

Bij uitspraak van 4 maart 2010, verzonden op 9 maart 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 5 januari 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard en dat tegen het besluit van 5 maart 2009 gegrond, dat besluit vernietigd, voor zover het in geding was, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het deel van het besluit dat is vernietigd in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2010, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[belanghebbende] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Stevens, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank het door hem tegen het besluit van 5 januari 2009 ingestelde beroep ten onrechte niet gegrond heeft verklaard, nu de gemeenteraad het door hem tegen het besluit van 6 mei 2008 gemaakte bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard, faalt.

Het voorbereidingsbesluit van 6 mei 2008 is vervallen. Het heeft niet als grondslag gediend voor de op 5 maart 2009 verleende vrijstelling. Aan die vrijstelling is het besluit van 1 december 2008 ten grondslag gelegd.

Voorts heeft hij voor het eerst in beroep gesteld dat bij hem kosten zijn opgekomen in verband met de behandeling van het door hem tegen het besluit van 6 mei 2008 gemaakte bezwaar. In bezwaar heeft hij geen verzoek, als bedoeld in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gedaan.

Onder deze omstandigheden was hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd derhalve niet bij de rechtbank in geding. [appellant] heeft ook in zoverre geen belang bij het ingestelde hoger beroep.

2.2.1. Het hoger beroep is, voor zover het het besluit van 5 januari 2009 betreft, niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door hem niet te volgen in zijn betoog dat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, heeft miskend dat het project in strijd is met het door de gemeente ter zake gevoerde beleid, omdat de ontsluitingsweg niet aan de in de recreatienota "Kansen benutten" gestelde eis van een goede ontsluiting voldoet en de kadernotitie "Vrijkomende agrarische bebouwing" in de weg stond aan het verlenen van vrijstelling voor het project, nu door het project, zowel de verkeersveiligheid ter plaatse, als zijn bedrijfsuitoefening, in gedrang komt.

2.3.1. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien om te oordelen dat volgens de recreatienota gevoerd beleid in de weg stond aan het verlenen van vrijstelling ten behoeve van het project. In deze nota is uiteengezet dat de ontsluiting naar een recreatieverblijf, als thans aan de orde, kwantitatief en kwalitatief goed dient te zijn. De ontsluiting van het perceel bestaat in een betonpad dat langs het woonhuis en bedrijfspanden van [appellant] leidt.

Gedragingen van derden op de ontsluitingsweg zijn, anders dan [appellant] betoogt, niet van belang voor de vraag of de ontsluiting in kwantitatief en kwalitatief opzicht bezien toereikend is. Dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat het betonpad geschikt is als ontsluitingsweg voor de kampeerplaats en het gastenverblijf van [belanghebbende], heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Niet gebleken is dat het perceel vanwege de gesteldheid, breedte en ligging van het betonpad voor personen- en goederenvervoer en hulpdiensten niet bereikbaar is. In de toename van het aantal verkeersbewegingen op het betonpad als gevolg van het project op het perceel, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college het betonpad niet geschikt mocht achten als ontsluitingsweg. Zij heeft daartoe terecht in aanmerking genomen dat, gelet op de 10 kampeerplaatsen en de 16 bedden in de groepsaccommodatie op het perceel, alsmede de aard van de te ontwikkelen bedrijfsactiviteiten, het aantal voertuigen dat per dag van het betonpad gebruik maakt beperkt zal blijven. Daarbij is van belang dat slechts van de kookstudio, die plaats biedt aan maximaal 12 cursisten, gebruik kan worden gemaakt, als de groepsaccommodatie niet verhuurd is. In de omstandigheid dat het betonpad in bepaalde perioden van het jaar gedurende enige tijd is afgesloten voor verkeer, omdat koeien het oversteken, dan wel kuilwerkzaamheden naast het pad plaatsvinden, heeft de rechtbank evenmin aanleiding hoeven zien voor dat oordeel. Gelet op het vorenstaande, heeft zij voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit het oogpunt van verkeersveiligheid evenmin beletselen tegen ontsluiting van de kampeerplaatsen en het gastenverblijf via het betonpad bestaan.

2.3.2. Hoewel de bebouwing op het perceel geen voormalige agrarische bebouwing betreft, nu hieraan de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend, heeft de rechtbank [appellant] terecht niet gevolgd in zijn betoog dat het college het project, bij de beantwoording van de vraag of recreatief gebruik van het perceel planologisch aanvaardbaar is, ten onrechte heeft getoetst aan de in de kadernotitie gestelde eisen inzake de verkeerssituatie en de gevolgen voor de agrarische bedrijvigheid ter plaatse. In het in beroep aangevoerde heeft zij, zoals hiervoor onder 2.3.1 overwogen, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het project een nadelige invloed heeft op de verkeerssituatie ter plaatse. Zij heeft voorts terecht overwogen dat het college zijn oordeel dat [appellant] door het project niet in zijn bedrijfsbelangen wordt geschaad, toereikend heeft gemotiveerd. Het college heeft zich in de bij het besluit van 5 maart 2009 behorende bijlage "reactie op zienswijze", als ook ter zitting, op het standpunt gesteld dat de afstand tussen de stallen van [appellant] en de camping en het gastenverblijf op het perceel zo groot is, dat deze niet behoeft te vrezen dat hij nu en in de toekomst in zijn bedrijfsuitoefening wordt beperkt. Dat bij een eventuele bedrijfsuitbreiding in bepaalde perioden van het jaar meer koeien het pad oversteken, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij door de toename van het aantal verkeersbewegingen op het betonpad, dat aan zijn tuin grenst en op 3 meter van zijn woning is gelegen, in zijn woongenot wordt aangetast, faalt evenzeer. Het aantal verkeersbewegingen over het betonpad als gevolg van het project zal toenemen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename, gelet op het kleinschalige karakter van het project en de aard van de te ontwikkelen bedrijfsactiviteiten, zoals hiervoor onder 2.3.1 overwogen, niet zo groot is, dat het woongenot van [appellant] daardoor onevenredig wordt aangetast.

2.5. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat een civielrechtelijke belemmering aan het verlenen van vrijstelling voor het project in de weg staat, nu de vrijstelling de ten behoeve van het perceel op het betonpad gevestigde erfdienstbaarheid evident verzwaart.

2.5.1. Op het betonpad is een erfdienstbaarheid gevestigd en door de vrijstelling zal het aantal verkeersbewegingen op dit pad toenemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 mei 2010 in zaak nr. 200906255/1), is een privaatrechtelijke belemmering een omstandigheid waarmee in het kader van de belangenafweging betreffende de vraag of al dan niet vrijstelling zal worden verleend, rekening moet worden gehouden. Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, is echter slechts aanleiding indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de aangewezene om eventueel de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. Reeds hierom is voor een toets aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals door de rechtbank uitgevoerd, geen plaats. Haar uitspraak komt in zoverre in aanmerking voor verbetering. Zij heeft in de gestelde verzwaring van de erfdienstbaarheid, nu realisering van het project, zoals hiervoor reeds is overwogen, tot niet meer dan een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen per dag zal leiden, evenwel terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter aan het verlenen van vrijstelling voor het project in de weg stond.

2.6. Het hoger beroep is, voor zover het betreft het besluit van 5 maart 2009, ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop, dient het verzoek een voorlopige voorziening te treffen te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover het het besluit van 5 januari 2009 betreft, niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

374.