Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200909639/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "D'n Hoge Suute" en een exploitatieplan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909639/2/R3.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Laarbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "D'n Hoge Suute" en een exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2009, beroep ingesteld. [verzoeker] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 april 2010. Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 mei 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door M.A.G. Rovers, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor 125 woningen en een bedrijventerrein ten oosten van de kern Mariahout.

2.3. [verzoeker] betoogt dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemmingen "Bedrijventerrein" en "Wonen" heeft vastgesteld die betrekking hebben op de percelen ten noorden van de Wilhelminastraat. [verzoeker] voert aan dat in het kader van het aan het plan ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) is getoetst. Daarnaast voert hij aan dat de in het plan voorziene ontwikkelingen zullen leiden tot verkeersoverlast en -onveiligheid. In dit verband stelt hij dat de raad ten onrechte geen verkeersonderzoek naar de ontsluiting van het plangebied heeft uitgevoerd. Voorts voert hij aan dat het plan zal leiden tot ernstige aantasting van zijn uitzicht en tot waardedaling van zijn woning. Volgens [verzoeker] heeft de raad ook de keuze voor een bedrijfslocatie in het plangebied niet voldoende gemotiveerd. In dit verband stelt hij tevens dat de raad de in dit plandeel voorziene bedrijven ten onrechte niet heeft aangemerkt als geurgevoelige objecten. [verzoeker] beoogt met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening het ontstaan van een onomkeerbare situatie te voorkomen.

2.4. In de plantoelichting staat dat in het kader van het luchtkwaliteitsonderzoek aan het Blk 2005 is getoetst. Volgens de plantoelichting blijkt uit de toetsing dat de grenswaarden uit het Blk 2005 voor alle in dit besluit genoemde stoffen niet worden overschreden. De bijdrage in deze stoffen als gevolg van de toename van het wegverkeer is verwaarloosbaar, zo staat in de plantoelichting.

Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Blk 2005 ingetrokken. Ingevolge artikel V, voor zover thans aan de orde, van deze wet zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit. Het plan is vastgesteld na 15 november 2007 en derhalve is titel 5.2 en de daarbij behorende regelgeving van toepassing. De raad heeft dit niet onderkend, aangezien hij is uitgegaan van de toepasselijkheid van het Blk 2005 op het plan.

De raad heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, nu niettemin aan de grenswaarden wordt voldaan. Nu niet in geschil is dat de onderzochte stoffen binnen de grenswaarden blijven en [verzoeker] verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het luchtkwaliteitsonderzoek inhoudelijke gebreken kleven, is er voldoende grond voor het voorlopige oordeel dat de Afdeling dit standpunt van de raad in de bodemprocedure zal onderschrijven.

2.5. Naar het voorlopige oordeel van de voorzitter heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verkeersonderzoek achterwege heeft kunnen blijven, gelet op het aantal voorziene woningen en de omvang van het voorziene bedrijfsperceel. [verzoeker] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het plaatselijke verkeer met een zodanige omvang zal toenemen dat dit tot een onaanvaardbare verkeerssituatie zal leiden. Daarbij acht de voorzitter tevens van belang dat in de plantoelichting staat vermeld dat de bestaande wegen ter hoogte van het plangebied verbreed zullen worden. Voorts volgt uit de verbeelding van het plan dat het plan niet aan deze verbreding in de weg staat.

2.6. Niet in geschil is dat de in het plan voorziene woningen en bedrijven tot aantasting van het uitzicht van [verzoeker] kunnen leiden. Blijkens de verbeelding van het plan bedraagt de afstand tussen de woning van [verzoeker] en het bouwvlak van het bedrijventerrein ongeveer 22 meter. De afstand tussen zijn woning en het bouwvlak van de meest nabijgelegen voorziene woning bedraagt ongeveer 55 meter. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot een onevenredige aantasting van het uitzicht van [verzoeker] zal leiden.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [verzoeker] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.7. Voorts ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding de keuze voor een bedrijfsbestemming ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" onredelijk te achten. Daartoe wordt overwogen dat de raad een afweging dient te maken van alle bij het bestreden besluit betrokken belangen. Blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende zienswijzennota en het verhandelde ter zitting is de keuze van de raad voor een bedrijfsperceel hoofdzakelijk bepaald door financieel-economische motieven. Naar het voorlopige oordeel van de voorzitter heeft de raad in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan voornoemde motieven. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de financieel-economische aspecten van het plan van ondergeschikte betekenis zijn. Daarnaast heeft de raad in zijn afweging kunnen betrekken dat het voorziene bedrijfsperceel door een groenstrook wordt afgeschermd van de omliggende voorziene woonbebouwing. Verder ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd omtrent het aspect geur vooralsnog geen grond voor het oordeel dat ter plaatse van het voorziene bedrijfsperceel geen aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd.

2.8. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

350-629.